woensdag, augustus 31, 2016

Vlierbessen. Ze zijn er weer.


Vlierbessen. Ze zijn er weer. Alhoewel de kwaliteit dit jaar te wensen overlaat, hebben we er toch onze lekkere fruitazijn mee gemaakt. Ook als medicijn staat de vlier in mijn toptien en die waardering voor de vlier is waarschijnlijk al duizenden jaren oud.

Opgravingen suggereren dat de vlier reeds in het Steentijdperk als medicinale plant werd ingezet, met zekerheid weten we dat deze plant al sinds 2500 jaar in de volksgeneeskunde wordt ingezet als middel bij griep, hoest, verkoudheden en om "slijmen op te lossen".
Zo maakten de Grieken en Romeinen gretig gebruik van de gewone vlier. Galenus (131 - 201 n. C.) beschreef de vlier als "heet en droog" en daarom aan te raden bij koude en vochtige aandoeningen zoals verkoudheden en slijmvliesaandoeningen. Dodonaeus (1517 - 1585) kende er onder meer slijmoplossende en ontzwellende eigenschappen aan toe.


,.In den voor-christelijken tijd", zegt de dichter Frederik Van Eeden, "had de vlier nog andere eigenschappen. Had iemand kiespijn of koorts, hij behoefde slechts een vliertakje in den grond te steken zonder een woord te spreken, de pijn of de koorts bleef dan aan
het takje kleven en ging over op de persoon, die er het eerst voorbij kwam". Nogal een vreemde en asociale manier om van een ziekte af te geraken. De vlier aldus Van Eeden  "stond ook in nauwe betrekking tot het podagra (jicht). Deze kwaal schijnt in den ouden tijd als vereerend voor den patiënt te zijn aangemerkt, omdat zij een bewijs leverde, dat hij tot de bevoorrechte klasse behoorde. Zoodra iemand den eersten aanval van podagra voelde, werd hij met vlierbladeren bekranst." Ziekte als een statussymbool, waar heb ik dat meer gehoord?

Ook Dodonaeus maakt in zijn Cruydeboec van 1563 eveneens gewag van het gebruik van vlierbladeren bij of liever tegen het pootje, maar op een meer prozaïsche wijze dan Van Eeden.
De weledele heer Dodonaeus is altijd nuchter, nooit raakt hij eens in extase over een mooie bloem, hij denkt alleen maar aan de "cracht en werkinghe." "Die bladeren gruen ghestooten zijn goet gheleyt op die heete swillinghen ende vergaringhen, ende met bocken oft ossen ruet (= vet) vermenght versueten zij die pijne van de flederzijn daer op gheleyt."  Over de verdere uitwerking van vlier op het menschelijk lichaam is Dodoens niet erg te spreken, maar hij overdrijft wel een beetje: "Die vlier es van zijn eyghen natuere den menschelijcker natueren heel tseghen ende contrarie, hy maeekt groote walginghe ende beruerte in die maghe, dermen ende buyck, hy onstelt dat heel lichaem ende beneemt die eracht,macht ende ghesondheyt van der Jeuere (lever)". Maar Dodoens geeft ook nog een toepassing aan, die ons niet bekend was "Die besickens (= bessen) sonderlinghe die platte sadekens zijn goed den gehenen die seer vet zijn ende gheerne magherder waren, omtrent een vierendeel loots swaer tsmorghens met wijn inghenomen ende langhe tijt gebruyckt."

Naast al die empirische kennis uit het verleden, kon rond de eeuwwisseling de virologe Dr. Mumcuoglu uitgebreid de antivirale werking van de proteïnes in vlierbessen aantonen.
 Zowel in de bloesems als de bessen zitten als werkzame stoffen heel wat flavonoïden zoals quercetine, isoquercitrine, hyperoside, astragaline, kaemferol. Naast deze algemeen weerstandsverhogende stoffen zitten bevatten bes en bloesem ook specifieke eiwitten, de zogenaamde hemagglutinine-eiwitten.
De beschermende werking van de vlierbes dankt ze in de eerste plaats aan het hemagglutinine-eiwit SAN-III, dat zorgt voor een 'inhibitie' of afremmen van het hemagglutinine van een virus. Dit hemagglutinine is een stof in de eiwitmantel van een virus, waarmee het zich aan de cellen in het lichaam hecht. Dit hemagglutinine afremmen betekent dus zoveel als het ziekmakend vermogen van een virus afzwakken. Daarnaast werd ook aangetoond dat de vlierbes dankzij haar bijzondere anthocyanen (kleurstoffen) een 'immunomodulerende' werking heeft, waardoor ons lichaam een betere weerstand heeft tegen virussen. De bessen zijn rijk aan anthocyanen zoals chrysanthemine (cyanidine 3-glucoside), sambucyanine (cyanidine 3-xyloglucoside), sambucine (cyanidine 3-rhamnoglucoside) en daarvan afgeleide verbindingen, die mede instaan voor de afweerstimulerende werking.

Voor het vlierazijnrecept zie https://hagezussen.wordpress.com/2016/08/24/vlierbessen-balsamico-azijn/

dinsdag, augustus 23, 2016

Tulbaghia in de ochtend

Het wordt warm vandaag. Ook hier in Bretagne. Mijn vast ritueel in de ochtend, even de nog frisse, verse lucht opsnuiven en de bedauwde planten besnuffelen.
In een pot aan de voordeur bloeit net de Zuid-Afrikaanse plant Tulbaghia violacea, ook wel Kaapse knoflook genoemd. Van deze lieve, sierlijke plant zou je niet verwachten dat de bladeren naar knoflook ruiken en nog minder zou je verwachten dat ze een testosteron stimulerend effect hebben. In elk geval werd dat door onderzoekers van de University of the Western Cape ontdekt toen ze proeven deden met testikelcellen van ratten in reageerbuizen. Vreemde wezens die wetenschappers.

In tuincentra kun je Tulbaghia violacea gewoon kopen.  De stengels zijn eetbaar, en hebben een sterke knoflooksmaak. Ook de bloemen kun je eten, maar die smaken wat minder uitgesproken. Zoeloes gebruiken Tulbaghia violacea al eeuwenlang als een geneeskrachtige plant. Hoewel overmatige consumptie kan leiden tot ontstekingen, buikpijn en darmklachten zou de plant bij hanteerbare doseringen de libido stimuleren. Vandaar dat de onderzoekers ethanolextracten van de verse stengels en knolletjes lieten inwerken op testescellen in reageerbuizen. Schadelijk voor de testes waren die extracten in ieder geval niet. In samenspel met LH (luteiniserend hormoon) stimuleerden de extracten de aanmaak van testosteron met 33-72 procent.

Niet dat ik in de ochtend met de testosteronproductie van mijn tuinplanten bezig ben, maar toch blijft het mij nog steeds verwonderen wat voor merkwaardige werkingen al die gewone en ongewone planten in de eerste de beste tuin kunnen hebben.
Zomerochtend in de tuin, geur, gefilterd licht, gedachten. Gewoon geweldig.

Lees ook https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/tulbaghia-violacea-kaapse-knoflook

donderdag, augustus 11, 2016

Boommalva in de tuin

Indrukwekkend is hij wel, de boommalva. Lavatera arborea. Ik zag hem voor het eerst aan een Bretoense kust. De plant was duidelijk herkenbaar als familie van het kaasjeskruid, maar dan een kaasjeskruid met houtige, stoere stengels. Bijna boom dus, vandaar de naam. We hebben nu ook enkele planten in onze Bretoense border staan. Het blad voelt fluwelig aan, net zoals de heemst en als ik de signatuurleer mag geloven en het feit dat veel kaasjeskruiden slijmstoffen bevatten en goed zijn voor de luchtwegen, dan zou ook deze Malvaceae mogelijk een geneeskrachtige werking kunnen hebben.

In sommige literatuur wordt hij wel als eetbaar omschreven:
Young leaves - raw or cooked. A mild flavour, but the leaves are dry and hairy and not that agreeable in quantity on their own. They can be used as part of a chopped mixed salad.

The leaves of the species are used in herbal medicine to treat sprains, by steeping them in hot water and applying the poultice to the affected area. It is theorised that lighthouse keepers may have spread the plant to some British islands for use as a poultice and to treat burns, an occupational hazard. Thought to have been used as an alternative to toilet paper. The seeds are edible and are known in Jersey as "petit pains", or "little breads". Als WC papier gebruiken, vind ik wel interessant maar dan wel in de natuur, niet echt om door te spoelen. En de onrijpe zaden als snoepje eten, herhinnert mij aan mijn jeugd. Toen aten we de groene zaden van een familielid, het klein kaasjeskruid ook als 'broodjes'.

Tree mallow was considered a nutritive animal food in Britain in the 19th century, and is still sometimes used as animal fodder in Europe.[9] For human consumption, some sources describe the leaves of tree mallow as edible, although not as palatable as common mallow, unless cut very thinly, because of the very velours-like hairy mouth-feel.[14]

Andere namen
Althaea arborea (L.) Alef, Oestr. Bot. Zeitschr. xii. 260 (1862)
Anthema arborea Medik., Malv. 42 (1787)
Lavatera arborea var. berlengensis (Boiss. & Reut.) Cout.
Lavatera arborea var. genuina (Boiss. & Reut.) Cout.
Lavatera arborea var. lasiocalyx Sennen
Lavatera eriocalyx Steudel, Flora, xxxix. 438 (1856)
Lavatera veneta Miller, Gard. Dict. ed. VIII. n. 6
Malva arborea (L.) P. Webb & Bertholet, Phyt. Canar. i. 30 (1836)
Malva dendromorpha M.F. Ray, Novon, 8(3): 292 (1998)
Malva fastuosa Salisb., Prod. 381.