maar hier onder de levensboom
rusten ze en wachten
op d’eeuwigheid.
De wachter, altijd groen,
deelt hun eenzaamheid.
In Bretagne zoek ik steun en troost bij mijn mammoetboom bij het stadje Huelgoat. In België bij mijn woonplaats Hastiere zoek ik die steun bij een andere indrukwekkende boom in het park van Hastiere, de Thuja plicata, de reuzenlevensboom.


rusten ze en wachten
op d’eeuwigheid.
De wachter, altijd groen,
deelt hun eenzaamheid.
In Bretagne zoek ik steun en troost bij mijn mammoetboom bij het stadje Huelgoat. In België bij mijn woonplaats Hastiere zoek ik die steun bij een andere indrukwekkende boom in het park van Hastiere, de Thuja plicata, de reuzenlevensboom.


Thuja is een conifeer met historie. Thuja is mogelijk afgeleid van het Griekse woord ‘thuo’, dat offeren betekent. De boom werd gebruikt bij offerrituelen, omdat hij een heel aangename geur verspreidt tijdens de verbranding. Deze geur is zeer specifiek voor de Thuja. Uit verse bladeren, twijgen en schors worden etherische olie gewonnen, die hun toepassing vinden in medicijnen en parfums.
De reuzenlevensboom (Thuja plicata D. Don) werd in 1791 ontdekt. Eeuwenlang zwierven ontdekkingsreizigers en veroveraars per boot over de wereld op zoek naar ‘vreemde landen’ waar zij ‘schatten’ verzamelden om mee naar huis te nemen. Aan boord waren vaak wetenschappers. Een bekend voorbeeld is viceadmiraal Robert FitzRoy (1805-1865) die met zijn boot de Beagle tussen 1831- 1836 rondtrok met aan boord Charles Darwin (1809-1882). De wetenschappelijke gasten aan boord verzamelden vaak (soms levende) biologische objecten die ze mee naar huis namen voor verder onderzoek. Op die manier werden veel bijzondere dieren en planten in West- Europa ingevoerd. In NCB Naturalis zijn daarvan nog voorbeelden te vinden. Zo trok ook de Spanjaard Allessandro Malaspina (1754-1810) met zijn boot over de wereld met aan boord de Franse botanicus Louis Née (1734-1803). In 1791 kwam hun boot aan op het eiland Nootka (British Colombia) aan de Canadese kust van de Stille Oceaan. Daar ontdekte Née enkele bijzondere bomen, o.a. de reuzenlevensboom, een naaldboom. In 1795 verzamelde een andere man, de marineofficier en botanicus Archibald Menzies (1754-1842), monsters van deze soort. De Schotse botanicus David Don (1799- 1841) gaf de boom de wetenschappelijke naam Thuja plicata.
In het gebied waar de reuzenlevensboom voorkomt staat hij symbool voor eeuwig leven. Diverse andere boomsoorten – soorten die erg oud kunnen worden – spelen in de Chinese, Joodse, Perzische, Assyrische en Griekse rituelen, mythologie en cultuur een vergelijkbare rol. Mogelijk gebruikten de indianen al meer dan 6000 jaar hout en andere delen van de boom. Medicinaal is de etherische Thuja-olie van betekenis.
Uitwendig toegepast is de etherische thuja-olie een middel tegen wratten. Uit de bladeren betrekt de farmaceutische industrie medicijnen tegen kanker, infectie, overmatige transpiratie en een vette huid. Heel veel gebruiksvoorwerpen worden gemaakt van allerlei delen van de boom: doodkisten, meubels, kano’s enz. De indianen weven wiegjes van wortelmateriaal en maken matrasjes van zacht bewerkte bast. Omdat de Thuja zeer oud kan worden wordt hij vaak gebruikt voor klimaatonderzoek. Op grond van zijn jaarringen kan informatie worden verzameld over het weer in de loop der jaren. Als de boom vanwege slecht weer (droogte of kou) niet kan groeien zijn de ringen anders dan in een gunstiger weertype.
De reuzenlevensboom (Thuja plicata D. Don) werd in 1791 ontdekt. Eeuwenlang zwierven ontdekkingsreizigers en veroveraars per boot over de wereld op zoek naar ‘vreemde landen’ waar zij ‘schatten’ verzamelden om mee naar huis te nemen. Aan boord waren vaak wetenschappers. Een bekend voorbeeld is viceadmiraal Robert FitzRoy (1805-1865) die met zijn boot de Beagle tussen 1831- 1836 rondtrok met aan boord Charles Darwin (1809-1882). De wetenschappelijke gasten aan boord verzamelden vaak (soms levende) biologische objecten die ze mee naar huis namen voor verder onderzoek. Op die manier werden veel bijzondere dieren en planten in West- Europa ingevoerd. In NCB Naturalis zijn daarvan nog voorbeelden te vinden. Zo trok ook de Spanjaard Allessandro Malaspina (1754-1810) met zijn boot over de wereld met aan boord de Franse botanicus Louis Née (1734-1803). In 1791 kwam hun boot aan op het eiland Nootka (British Colombia) aan de Canadese kust van de Stille Oceaan. Daar ontdekte Née enkele bijzondere bomen, o.a. de reuzenlevensboom, een naaldboom. In 1795 verzamelde een andere man, de marineofficier en botanicus Archibald Menzies (1754-1842), monsters van deze soort. De Schotse botanicus David Don (1799- 1841) gaf de boom de wetenschappelijke naam Thuja plicata.
In het gebied waar de reuzenlevensboom voorkomt staat hij symbool voor eeuwig leven. Diverse andere boomsoorten – soorten die erg oud kunnen worden – spelen in de Chinese, Joodse, Perzische, Assyrische en Griekse rituelen, mythologie en cultuur een vergelijkbare rol. Mogelijk gebruikten de indianen al meer dan 6000 jaar hout en andere delen van de boom. Medicinaal is de etherische Thuja-olie van betekenis.
Uitwendig toegepast is de etherische thuja-olie een middel tegen wratten. Uit de bladeren betrekt de farmaceutische industrie medicijnen tegen kanker, infectie, overmatige transpiratie en een vette huid. Heel veel gebruiksvoorwerpen worden gemaakt van allerlei delen van de boom: doodkisten, meubels, kano’s enz. De indianen weven wiegjes van wortelmateriaal en maken matrasjes van zacht bewerkte bast. Omdat de Thuja zeer oud kan worden wordt hij vaak gebruikt voor klimaatonderzoek. Op grond van zijn jaarringen kan informatie worden verzameld over het weer in de loop der jaren. Als de boom vanwege slecht weer (droogte of kou) niet kan groeien zijn de ringen anders dan in een gunstiger weertype.
Ora et labora was hun devies,
maar hier onder de levensboom
rusten ze en wachten
op d’eeuwigheid.
De wachter, altijd groen,
deelt hun eenzaamheid.
De altijd groene wachter in het lied van Malihapi Malu is natuurlijk de levensboom. En de levensboom waarover hij dichtte was daadwerkelijk een Thuja.
