zondag, mei 30, 2021

Nieuwe Escop-monografie over salie

ESCOP is de European Scientific Cooperative on Phytotherapy, de Europese overkoepelende organisatie van nationale verenigingen op het gebied van fytotherapie. De ESCOP is in 1989 opgericht door de Nederlandse Vereniging voor Fytotherapie tezamen met  zusterverenigingen uit de Bondsrepubliek en het Verenigd Koninkrijk. ESCOP is onafhankelijk, niet alleen van zowel nationale overheden als de Europese overheid, maar ook van de  industrie. De gedachte bij de oprichting was namelijk dat een overkoepelende organisatie beter geschikt zou zijn om de individuele belangengroepen op dit gebied te behartigen in gesprekken met beleidsbepalende en wet- en regelgevende overheden, met name met Brussel. Inmiddels zijn 14 nationale organisaties aangesloten bij ESCOP.

ESCOP publiceert regelmatig nieuwe monografieën over veelgebruikte kruiden. Oudere monografieën zijn in boekvorm verkrijgbaar. Dat geldt niet voor de nieuwe en herziene monografieën. Deze zijn uitsluitend nog digitaal beschikbaar.

Echte Salie (Salvia folium)

Salie kan gebruikt worden bij dyspeptische klachten zoals brandend maagzuur en een opgeblazen gevoel. Ook wordt het toegepast bij hyperhidrose, opvliegers, hyperglykemie en hyperlipidemie en ontstekingen van de mond of keel.

De monografie geeft informatie over de dosering en interacties met andere medicatie.

In vitro-experimenten met salieblad toonden anti-microbiële, anti-oxiderende, ontstekingsremmende, antigenotoxische, hypoglykemische, cytoprotectieve en angiogenese-remmende activiteiten aan. In vivo-experimenten lieten anti-nociceptieve, ontstekingsremmende, hypoglykemische, lipidenverlagende, maagbeschermende, geheugenverbeterende, antimutagene, wondgenezende, antioxidatieve, anti-ulcerogene en larvicide eigenschappen zien.

Farmacologische studies bij vrouwelijke vrijwilligers en gezonde oudere volwassenen toonden verbeterde lipidenprofielen, antioxiderende afweer en effecten op het geheugen.

Gecontroleerde klinische onderzoeken met salieblad lieten antimicrobiële en antiflogistische effecten zien bij patiënten met afteuze ulcera, gingivitis of faryngitis en bij patiënten met primaire hyperlipidemie of type 2-diabetes vertoonden hypoglykemische en lipidenverlagende effecten.

De monografie gaat ook in op veiligheid. Humane studies lieten slechts milde bijwerkingen zien, zonder effecten op de lever- of nierfunctie.

De literatuur die in de monografie wordt aangehaald, is gericht op het samenbrengen van relevante informatie over de mogelijke fysiologische rollen van salieblad en zijn belangrijkste bestanddelen.

zaterdag, mei 29, 2021

Mijn eerste klaproos 2021

Klaprozen waren altijd erg bekende, ‘populaire’ planten. Dat bewijzen de vele (volks)namen. Sommige spreken echt wel tot de verbeelding: stinkroos, kollebloem, rode kol, korepater, kankerbloem, rode koornbloem, klapper, weulverbloem, bloeddroppels der soldaten, donderbloem, oorlogsbloem, doodsbloem, maankop, rosewiet, korenheul, heulbloem, koornroos, …

De algemene naam ‘papaver’ zou afgeleid zijn van het Keltische ‘papapap’ dat ‘pap’ of ‘brij’ betekent en het Latijnse ‘verum’ dat ‘echt’ of ‘waar’ betekent. Dat slaat op de oude gewoonte om papaversap door de pap te roeren om zo huilende baby’s rustiger te maken of in slaap te krijgen. ‘Rhoeas’ komt misschien van het Griekse ‘rhuan’ of ‘rhyas’ wat ‘vallend’ betekent en wijst op het snel uitvallen van de bloemblaadjes. De naam kan ook afkomstig zijn van het Griekse ‘Rhodeos’ of ‘rood’ naar de rode kleur van de bloemen. 

Volgens de Duitse botanicus en arts Hieronymus Bock (1498-1554) werd de klaproos genoemd naar het klapperende of ratelende geluid dat de rijpe zaden maken in de zaaddozen als deze geschud worden. Een andere verklaring verbindt de naam met een oeroud kinderspelletje waarbij bloemblaadjes werden omgevouwen tot een soort zakje dat, als je er een klap op gaf, met een klappend geluid opensprong. Dit spelletje werd ook beschreven door de Duitse arts Leonhard Fuchs (1501-1566), als verklaring voor de Duitse naam ‘Clapperroose’. Het tweede deel ‘roos’ verwijst natuurlijk naar de bloemvorm en de rode kleur van vele rozen.

Een andere oude naam voor deze plant is ‘kollebloem’. In 1543 vermeldt Fuchs ‘Colle’ en ‘Colbloemen’, Dodoens noteert in 1618 ‘Collebloem’. Het woord ‘kol’ kan wijzen op de gelijkenis van de gladde doosvrucht met een kaal kopje. Maar omdat de ‘kollebloem’ meestal in het koren groeit, kan de naam ook een verbastering zijn van ‘korenbloem’. Dodoens noemt de grote klaproos ook ‘wilden heul’, waarbij ‘heul’ is afgeleid van het Middelnederlandse ‘oele’, ontstaan uit het Latijnse ‘oleum’. Zo verwijst de naam naar de olie die uit papaverplanten geëxtraheerd kan worden.

De naam ‘kankerbloem’ zou erop wijzen dat boeren haar een ‘kanker’ in het veld vonden, maar het volksgebruik meldt dat de bloem zowel tegen kanker zou helpen, maar ook kanker kon veroorzaken.

De naam ‘klaproos’ wordt ook verbonden met de eigenschap van de bloem om dicht te klappen bij regenweer. In Vlaanderen wordt ze ook wel ‘onweersbloem’ of ‘donderbloem’ genoemd. In Wallonië wordt dit ‘tonnoire’, naar ‘tonnerre’. In vroegere tijden probeerde men ook onweders te bezweren met behulp van de klaproos. Men plukte grote boeketten met donderbloemen om die in de kerk te laten zegenen. Kwam er nadien onweersdreiging opzetten, dan stak men de gezegende planten in brand. 


woensdag, mei 26, 2021

Koekoeksbloem, vrolijke vergankelijkheid

In vochtige weilanden, langs oevers van rivieren kunnen we ze nu dansend tegen komen. De echte koekoeksbloem. Deze sierlijke vaste plant uit de Anjerfamilie (Caryophyllaceae) die zowat 80 cm hoog kan worden, heeft heldergroene bladeren smal lancetvormig en de frêle stengels zijn vaak vertakt en ruw behaard. Opvallend zijn de franje-achtige bloemen waarmee de plant sierlijk kan bloeien. De bloemen vallen des temeer op omdat aan de stengels maar weinig blaadjes zitten. Ze zien er wat rafelig uit (een Engelse naam voor de plant luidt Ragged robin: rafelige roodborst). De bloemkleur is rozerood, een enkele keer komen ook witte bloemen voor. De bloeitijd loopt van mei t/m juli met soms nog een tweede bloei in de nazomer en herfst van augustus tot in oktober.

Echte koekoeksbloem in vochtig grasland 

Echte koekoeksbloem, Silene flos-cuculi houdt van vochtige tot drassige grond die matig voedselrijk is. Dit kan zowel zand, leem, lichte klei, zavel als veenbodem zijn. Ze is o.a. te vinden in vochtige tot natte graslanden/hooilanden en bermen, aan sloot- en waterkanten, in vochtige lichte loofbossen en in duinvalleien. Waar de natuurlijke omstandigheden goed zijn, kan de Echte koekoeksbloem massaal aanwezig zijn en vormt ze grote rozerode tapijten. Het is een zonminnende soort die ook gedijt op licht-beschaduwde plekken. In Nederland is het een nog vrij algemene soort, behalve in de zeekleigebieden. Het is een Rode Lijstsoort. In Vlaanderen (eveneens Rode Lijst) en in Wallonië ook aangemerkt als een vrij algemene soort. Hoewel Echte koekoeksbloem wordt beschouwd als een soort die nog vrij algemeen voorkomt, is ze in het natuurlijke landschap sterk achteruitgegaan. Vooral bemesting en verlaging van de grondwaterstand ten behoeve van intensieve landbouw en veeteelt zijn desastreus voor deze soort. 

In haar natuurlijke habitat kan ze samen voorkomen met Gewone dotterbloem, Pinksterbloem, Grote ratelaar, Veldlathyrus en verschillende orchideeënsoorten. De bloemen worden bestoven door honingbijen, wilde bijen, hommels en dag- en nachtvlinders. 

Naamgeving 

De botanische naam Silene gaat terug naar de bosgod Silenus, die wordt beschouwd als de vader van de silenen. Hij staat vaak dronken en rijdend op een ezel afgebeeld met een dikke buik, net als de opgeblazen kelk van de koekoeksbloem. Volgens een andere interpretatie stamt silene af van het Griekse sialon in de betekenis van speeksel of slijm, omdat vele soorten kleverig zijn. De soortaanduiding Flos-cuculi is samengesteld uit de Latijnse woorden flos = bloem en cuculus = koekoek, koekoeksbloem. Een vroegere botanische naam voor de plant was Lychnis flos-cuculi. 

Voor de Nederlandse naam zijn twee verklaringen: de naam is aan de plant gegeven omdat de bloei zou samenvallen met de komst en de roep van de koekoek. Een tweede, meer waarschijnlijke verklaring hangt samen met een soort schuim dat je vaak kunt vinden in de bladoksels van verschillende soorten koekoeksbloemen. Dit schuim is afkomstig van de larve van de schuimcicade (door het beestje zelf geproduceerd en als beschermende woning gebruikt). Het werd voor koekoeksspog (spuug) aangezien. 

Volksnamen zijn Kraaienbloem, Hanebloem, Haanderikkebloem en Haneklauwen (de stengel met bloem doen aan een vogelpoot denken), Vleeschbloem, Saffraanbloem, Roodsteerntje en Rode sterrekes (verwijzing naar de rozerode kleur van de bloem), Mariaroosje en Pinksterbloem (in relatie tot de bloeitijd), Armoedsbloem (de bloemen zien er rafelig uit en riepen blijkbaar een beeld van armoede op), Kikkerbloemen (mogelijk omdat de plant op drassige plekken groeit), Wilde duizendschoon, Wilde tuilkens en Wilde lichnis. 

Magisch ritueel spiritueel 

In de middeleeuwen werden van Koekoeksbloem kransen en guirlandes gevlochten die werden gebruikt als een teken van vreugde of verdriet bij trouwerijen of begrafenissen. 

Medicinaal weinig gebruikt

Onze bekendste 16e-eeuwse plantkundige Dodonaeus schreef over Echte koekoeksbloem: 'Het zaad, kruid en het hele gewas van de kraaibloempjes is zeer goed tegen de steken van de schorpioenen, ja ze hebben daar zo grote kracht in dat het kruid alleen voor de schorpioenen geworpen die heel machteloos en traag maakt zodat ze niemand schadelijk of hinderlijk kunnen wezen, het geneest ook allerhande vergif'. De plant bevat o.a. saponinen, maar er zijn verder geen medicinale toepassingen bekend.  Toch zijn er enkele onderzoeken geweest, die aanwijzingen geven voor een anti-schimmelwerking 'this report is the first to show the biological activity of L. flos-cuculi in terms of the antifungal and antiamoebic activities and acute toxicity. It is also the first isolation of the main ecdysteroids from L. flos-cuculi micropropagated, ecdysteroid-rich plant material'. *

Wild en vrolijk in de tuin

Echte koekoeksbloem kan een tuin lange tijd sieren met haar uitbundige en langdurige bloei. Ze heeft wel een vochtige tot natte en liefst zonnige standplaats nodig. Koekoeksbloem wordt ook als sierplant in verschillende variëteiten gekweekt met o.a. witte en dubbele bloemen. In het openbaar groen een mooie soort voor vochtige weides, natte bermen of oeverranden. Aantrekkelijke bloemenweides worden gecreëerd met soorten als Pinksterbloem, Kleine ratelaar, Scherpe boterbloem, Gevleugeld hertshooi, Rietorchis, Moerasspirea en Poelruit. 

*Molecules. 2021 Feb 9;26(4):904. doi: 10.3390/molecules26040904.Two Ecdysteroids Isolated from Micropropagated Lychnis flos-cuculi and the Biological Activity of Plant Material

dinsdag, mei 25, 2021

Pronkboon of Roomse boontjes. Eetbaar windscherm.

We proberen de pronkboon te laten groeien langs ons 'balkon' in de hellingbossen van Bonsoy. Deze vergeten groente komt oorspronkelijk uit de berggebieden van Centraal-Amerika en Mexico en werd in de 17de eeuw naar Europa gebracht. 

Mogelijk stamt de pronkboon Phaseolus coccinaeus af van de wilde soort Phaseolus formosus. Deze klimplant is in België eenjarig en rechtswindend. De bloem is trosvormig, en de bloei vindt plaats van juni tot eind september. De plant is weinig vatbaar voor ziekten en heeft weinig last van ruwe weersomstandigheden. Doordat de plant niet snel kapot waait wordt hij vanouds als windkering bij snijbonen, augurken, en vroeger ook bij tabak gebruikt. Ook in de siertuin kan hij mooi staan. Al snel leerde de mens de voedzame kenmerken van de soorten van het geslacht Phaseolus kennen en cultiveerde tal van varianten, zoals de bruine boon, de kievitsboon, de sperzieboon en de snijboon. 

De pronkboon behoort tot de Azteekse of prehistorische bonen en zou gevonden zijn in prehistorische graven. Ze worden in vele vormen door de Mexicanen en Z. Amerikanen gekweekt en gegeten. Is beschreven in 1633, was in Engeland omstreeks 1650. Clusius zag de eerste pronkboon in een klooster te Lissabon. Die was vanuit Peru naar Spanje gebracht. Hij kreeg ze direct uit Brazilië, schonk ze aan vrienden en zorgde zo voor zijn verspreiding. A. Munting; ‘Phaseolus americanus niger flore phoeniceo of zwarte Amerikaanse boon met een als brandende mooie rode kleur die het oog zeer bevallig is en die van velen Piet Hein bonen genoemd wordt omdat de admiraal Piet hein die in1628 de Spaanse zilvervloot genomen heeft die eerst uit Amerika in deze landen bracht.’

En nu afwachten of deze eetbare pronkboon mijn bosbalkon wil versieren.



 



zondag, mei 23, 2021

Christoffelkruid in het Belgisch regenwoud

Tijdens onze heroïsche wandeling in het 'Belgisch regenwoud' hebben we ook een magische ontmoeting met de zwarte gifbes of het Christoffelkruid. Deze decoratieve vaste plant groeit in donkere loofbossen en geheimzinnige valleien. Zo groeien giftige planten nu eenmaal graag. Christoffelkruid lijkt oppervlakkig op jonge planten van gewone vlier, maar verschilt hiervan doordat haar bladeren drievoudig geveerd zijn (ipv tweevoudig bij vlier). Meer nog lijken de bladeren op die van de Geitenbaard – Aruncus dioicus, die bovendien in hetzelfde milieu voor kan komen. 

Dodoens schrijft 'Tegenwoordig heet dit kruid in het Latijn Christophoriana en Sancti Christophon herba, dat is Sint Christoffelskruid, St. Christoffel is de schutspatroon van de schatgravers. De plant zou toverkracht bezitten en middels deze toverkracht helpen bij het zoeken naar verborgen schatten. De oorspronkelijke benaming was Herba sancti Christophori waar het Duitse Christophskraut, Sanct Cristophskraut, Stoffeleskraut, Zwitsers Christofferli, het Franse herbe de Saint-Christophe en het Engelse herb-Christopher van afgeleid zijn.

Sint Christoffel is ook de patroon van geesten en tovenaars. Onder het kruid zou een geest liggen die de schat bewaakte. Om de geest te verdrijven moest het kruid aangeraakt worden en een bijzonder christoffelgebed opgezegd worden. Dit bezweren werd christoffelen genoemd (in het Hoogduits: christophelen). Tovenaars gebruikten het kruid om te christoffeln, met andere woorden: om geld verbergende geesten te bezweren.

De Heilige Christophorus gold ook als beschermheer tegen de pest. Actaea werd vroeger gebruikt tegen die ziekte. Wie in staat was die ziekte af te wenden en een tegen middel had, die bezat een grote schat. De aanblik van een heilige had sowieso al een dood verdrijvende werking en samen met zijn plant stond je sterk.

Gebruik vlgs Dodonaeus

Zo was het gebruik vroeger. zegt Dodonaeus. ‘Sint Christoffelskruid is zo hinderlijk en schadelijk, ja dodelijk, als het gebruikt of van binnen ingenomen wordt zoals de geslachten van Aconitum of wolfswortel mogen wezen. De giftige bessen die met aluin gemengd worden geven een goede zwarte verf. Is ze de Actaea van Plinius (die hij beschrijft zwaar ruikende of stinkende bladeren te hebben, ruwe geknoopte stelen, zwart zaad als de klimop en met zachte bessen) is ze goed om de inwendige gebreken van de vrouwen te genezen. Nochtans is onze Christophoriana altijd voor een vergiftig gewas gehouden geweest.’

In de homeopathie wordt het als tinctuur tegen epilepsie, astma en waterzucht gebruikt.

Actaea spicata Linn., commonly known as Baneberry, belongs to family Ranunculaceae. A survey of ethnopharmacologic records reveals that the plant has been traditionally used in the treatment of rheumatism, inflammation, rheumatic fever, lumbago, scrofula, nervous disorders, chorea, and as emetic, expectorant, laxative, stomachic and purgative. The plant has also been used in traditional systems of medicines of various countries for the treatment of snake bite, asthma, and externally for skin complaints. In some parts of Europe the powdered leaves, stems and flowers are used as an insecticide. Chopra RN, Nayar SL, Chopra IC. Glossary of Indian Medicinal Plants. New Delhi: Council of Scientific and Industrial Research; 1956. Duke JA, Duke PA, Ducellier JL. Duke?s Handbook of Medicinal Plants of the Bible. New York: CRC Press; 2008.

Preliminary phytochemical screening showed presence of phenols and flavonoids in A. spicata.  Investigation was undertaken to estimate total phenols and flavonoids in methanol extract of A. spicata roots, and its ethyl acetate fraction. In vitro antioxidant activity was also evaluated in the methanol extract and ethyl acetate fraction using DPPH method. Ethyl acetate fraction was found to contain twice the content of flavonoids and phenols in comparison to methanolic extract, whereas phenolic content in methanol extract was approximately similar to ethyl acetate fraction. A significant antioxidant activity, i.e., mean percentage inhibition of DPPH radical was observed in methanol extract and ethyl acetate fraction at the concentration of 10 μg/ml and 5 μg/ml respectively. Finally, it was suggested that polyphenols are responsible for antioxidant activity of A. spicata.

donderdag, mei 20, 2021

Hét paleodieet bestaat niet

Volgens goeroes die het ‘paleodieet’ promoten, moeten we eten wat onze voorouders aten om gezond te zijn. Ze beweren dat veel chronische ziektes een gevolg zijn van het feit dat wat we vandaag eten verschilt van het voedsel waarvoor ons lichaam ‘ontworpen’ is. Het kan zeker geen kwaad ons te realiseren dat onze voorouders geen worstenbroodjes en milkshakes aten. Dat betekent niet dat we ernaar moeten streven een specifiek paleodieet te volgen. Voedselafdrukken leren dat het voedingspatroon van vroege homininen doorheen de tijd en naargelang de plaats varieerde, en dat we hoogstwaarschijnlijk tot flexibele eters zijn geëvolueerd, aangedreven door steeds veranderende klimaten, omgevingen en voedselbeschikbaarheid. Met andere woorden: er bestaat niet zoiets als één dieet van onze voorouders dat we kunnen nabootsen. Flexibiliteit liet onze voorouders toe zich te verspreiden over de planeet en telkens iets te eten te vinden op de ontelbare verschillende buffetten die de natuur ons voorschotelde. Het was de sleutel tot ons evolutionaire succes.

https://eostrace.be/artikelen/wat-aten-onze-voorouders

Neanderthalers zwaaiden van ongeveer 400.000 tot 40.000 jaar geleden de plak in Europa en West-Azië. Daarna verdwenen ze. Paleo-antropologen discussiëren al meer dan een eeuw over wat er is gebeurd, en waarom. Tot vandaag bestaat daarover nauwelijks consensus.

Populaire verhalen schetsen een beeld van brute neanderthalers, die zich in ijzige omstandigheden, gehuld in dierenhuiden, op mammoet- en wolharige neushoornvlees storten. Zo was het niet altijd. Neanderthalers leefden in uiteenlopende habitats, van koude, droge steppe tot warmere, vochtigere, open boslandschappen.

Recent onderzoek van hun kiezen laat bij neanderthalers uit meer beboste gebieden complexe microslijtage met putjes zien, wat doet vermoeden dat ze vaker harde planten aten. Neanderthalers uit de steppe vertonen daarentegen minder complexe microslijtage, wat wijst op een minder gevarieerd dieet dat voornamelijk uit zacht vlees bestond.

Andere onderzoekers vonden verschillen in de microslijtage op de snijtanden bij beide groepen. Mogelijk bewerkten de steppe-neanderthalers met hun snijtanden dierenhuiden, terwijl de bos-neanderthalers gevarieerder aten. Het lijkt erop dat neanderthalers flexibele eters waren met een voedingspatroon dat mee varieerde met hun leefomgeving.

Bij de anatomisch moderne mensen die in Europa leefden tijdens de laatste ijstijd lagen de zaken anders. We zien niet veel verschil in microslijtage tussen individuen uit open landschappen en meer beboste gebieden. Noch bij oudere, noch bij jongere fossielen. Misschien waren de vroege moderne mensen onder veranderende omstandigheden beter dan neanderthalers in staat hun favoriete kostje te bemachtigen.

woensdag, mei 19, 2021

De meidoorn bloeit. Het hart is verheugd.

Al eeuwenlang wordt de meidoornstruik gebruikt om weilanden en akkers af te scheiden en zo het vee binnen te houden. De hagedoorn, zoals hij vroeger genoemd werd, was een vruchtbaarheidssymbool en hoorde bij bruiloften die vooral in de lente plaats vinden. De meidoorn werd ook gebruikt als versiering voor de meiboom. De Romeinen plaatsen de struik rondom het huis of legden een meidoorntakje in de wieg om zich te beschermen tegen ziekten en boze geesten.

De officiële naam Crataegus is afgeleid van het Griekse woord “crataios” wat sterk of stevig betekent. Het hout van de meidoorn is sterk en hard. Bij onthoofdingen werd zelfs gebruik gemaakt van een hakblok van meidoornhout. Ook wandelstokken werden vervaardigd van meidoorn, het hout zou de wandelaar tegen vermoeidheid beschermen. De soortnaam oxy- acantha die Linnaeus gaf aan de boom betekent “met scherpe dorens”.

Officieel statuut van meidoorn

Meidoorn is opgenomen in de Europese farmacopee en nationale farmacopeeën van onder meer Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië en behoort nog tot de meest gebruikte kruiden in Europa en elders in de wereld. Er is toenemend wetenschappelijk bewijs dat (gestandaardiseerde) preparaten van meidoorn helpen bij chronisch hartfalen (New York Heart Association klasse I tot III), angina pectoris, coronaire hartziekte, atherosclerose, hypertensie, orthostatische hypotensie, (milde) hartritmestoornissen en hyperlipidemie.1-8 Meidoorn bevordert de weefseldoorbloeding en kan klachten van claudicatio intermittens (etalagebenen) en het fenomeen van Raynaud (koude vingers en tenen) verlichten. In humane klinische studies is vooral gekeken naar de werkzaamheid van meidoornextract bij chronisch congestief hartfalen.5 In een aantal klinische studies van hoge kwaliteit is aangetoond dat het fytotherapeuticum symptomen van hartfalen vermindert, de hartfunctie verbetert en de kwaliteit van leven verhoogt.4,5,9

Meidoorn versterkt en beschermt het hart

Verschillende fracties en inhoudsstoffen van meidoorn (waterextract, flavonoïdenfractie, epicatechine, vitexine, rutine, triterpenenfractie, OPC (oligomere procyanidinen), hyperoside, luteoline-7-glucoside) verhogen de contractiekracht van het hart (positief inotroop effect) en verlagen de hartfrequentie (negatief chronotroop effect) . Meidoorn versterkt het hart, verbetert de doorbloeding van de kransvaten, verhoogt het hartminuutvolume (de hoeveelheid bloed die door het hart in één minuut wordt voortgestuwd) en zorgt voor toename van de aanvoer en verbruik van zuurstof door het hart. Meidoorn beschermt het hart en de hersenen significant tegen ischemie-reperfusieschade en beperkt weefselbeschadiging na een hart- of herseninfarct. Volgens onderzoekers komt dit mede doordat meidoorn een sterke antioxidantwerking heeft, het enzym leukocytelastase remt en de productie van endotheelstikstofoxide bevordert. In een diermodel voor chronisch hartfalen had medicatie met meidoornextract een gunstige invloed op de structuur en functie van de hartspier.

Meidoorn gaat hartritmestoornissen tegen

In verschillende in-vitro en in-vivo dierexperimenten is aangetoond dat preparaten van meidoorn (van bessen of bladeren en bloemen) hartritmestoornissen tegengaan die zijn opgewekt door aconitine, calciumchloride of chloroform-adrenaline.1,2 In dieronderzoek nam de kans op, door ischemie-reperfusie geïnduceerde hartritmestoornissen (vooral het kamerfibrilleren) na een hartinfarct significant af (vergeleken met placebo), indien de proefdieren in de drie maanden voorafgaande aan het hartinfarct dagelijks meidoornextract hadden gekregen.16

Meidoorn heeft een milde bloeddrukverlagende en vaatverwijdende werking. Bij proefdieren met een normale of verhoogde bloeddruk, die onder narcose waren gebracht, leidde intraveneuze toediening van meidoornextract (blad, bloem) tot dosisafhankelijke bloeddrukverlaging. Meidoornextract ontspant de bloedvaten door het stimuleren van vaatverwijding, het remmen van angiotensine converterend enzym (ACE) en mogelijk door remming van het adrenerge systeem.

Enkele recepturen voor eigen gebruik als thee

  • meidoornbloesem + hartgespantoppen + citroenmelisse bij hartritmestoornissen
  • meidoornbloesem + herderstasje + echte guldenroede bij een te hoge bloedruk

Kruidenmengsels overgieten met heet water, minimum 10 minuten laten trekken, zoeten met honing, verbetert de werking.

Referenties

  1. 1. Chang Q et al. Hawthorn. J Clin Pharmacol. 2002;42(6):605-12.
  2. 2. WHO monographs on selected medical plants, volume 2, 2002. Folium cum Flore Crataegi.
  3. 3. Fong HH et al. Hawthorn. J Cardiovasc Nurs. 2002;16(4):1-8. Review.
  4. 4. Natural Standard and Harvard Medical School. Hawthorn. www.intelihealth.com
  5. 5. Dahmer S et al. Health effects of hawthorn. Am Fam Physician. 2010;81(4):465-8. Review.
  6. 6. Belz GG et al. Dose-response related efficacy in orthostatic hypotension of a fixed combination of D-camphor and an extract from fresh crataegus berries and the contribution of the single components. Phytomedicine. 2003;10(S4):61-7. Review.
  7. 7. Walker AF et al. Hypotensive effects of hawthorn for patients with diabetes taking prescription drugs: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract. 2006;56(527):437-43.
  8. 8. Chang WT et al. Hawthorn: potential roles in cardiovascular disease. Am J Chin Med. 2005;33(1):1-10.
  9. 9. Guo R et al. Hawthorn extract for treating chronic heart failure. Cochrane Database of Systematic Reviews 2008, Issue 1. Art. No.: CD005312. DOI: 10.1002/14651858.CD005312.pub2.
  10. 10. Pittler MH et al. Hawthorn extract for treating chronic heart failure: meta-analysis of randomized trials. Am J Med. 2003;114(8):665-74.
  11. 11. Jayalakshmi R et al. Cardioprotective effect of tincture of Crataegus on isoproterenol-induced myocardial infarction in rats. J Pharm Pharmacol. 2004;56(7):921-6.
  12. 12. Veveris M et al. Crataegus special extract WS 1442 improves cardiac function and reduces infarct size in a rat model of prolonged coronary ischemia and reperfusion. Life Sci. 2004;74(15):1945-55.

dinsdag, mei 18, 2021

Zuring, een natuurlijk medicijn tegen botontkalking

Langs de weg en aan de randen van akkers en weilanden groeit een kruid dat nu bloeit en dat misschien ooit nog gebruikt gaat worden als een medicijn tegen botontkalking. Volgens dier- en reageerbuisstudies van Koreaanse wetenschappers remt een waterextract van krulzuring de afbraak van botweefsel.

Rumex crispus
Onderzoekers van het Korea Institute of Oriental Medicine experimenteerden met een zelfgemaakt extract van Rumex crispus, zoals krulzuring officieel heet, op waterbasis. De drie belangrijkste bioactieve stoffen in dat extract waren de anthraquinones emodine, chrysophanol en physcion.

Dierstudie
De onderzoekers injecteerden muizen gedurende twee dagen met RANKL. Dat is een eiwit dat osteoclasten - de botcellen die weefsel afbreken - activeert.
Gedurende de 5 dagen die daarop volgden, gaven de onderzoekers een deel van de muizen daarnaast twee keer per dag een op water gebaseerde extract van krulzuring. Als de muizen mensen waren geweest, hadden ze 2 keer dag een dosis van 2 gram extract gekregen.

Je kunt zuring eten als groenten, maar dagelijkse suppletie met zuringextract is niet automatisch veilig. Zuring bevat ook veel oxalaat, en niet iedereen reageert daar goed op. Mocht je gaan experimenteren met zuring, zorg er dan voor dat je een product in handen krijgt zonder oxalaat.
Het extract verminderde het effect van RANKL op het botvolume, de botdichtheid en de sterkte van de botten.

In vitro-studies
De onderzoekers stelden osteoblasten - dat zijn de cellen in bot die het skelet opbouwen - bloot aan het zuringextract. Zo achterhaalden ze in ieder geval een deel van het mechanisme waarlangs zuring botontkalking afremt. Zuring schakelde een aantal genen aan die actief zijn als osteoblasten botweefsel opbouwen, zoals osteopontin en osterix. Dat was vooral het werk van de anthraquinones chrysophanol en physcion.

De onderzoekers deden hetzelfde met osteoclasten. Ze ontdekten dat emodine, chrysophanol en physcion in het zuringextract genen die in osteoclasten betrokken zijn bij de afbraak van botweefsel juist minder hard lieten werken. 

Conclusie
"This suggests that a water extract of Rumex crispus could be used as a pharmacological candidate for traditional medicine in the prevention and treatment of osteoporosis", resumeren de Koreanen.

Bron: BMC Complement Altern Med. 2017 Oct 26;17(1):483.

zondag, mei 16, 2021

Dovenetel, vergeten glorie?

Dovenetel behoort tot het domein van de volksgeneeskunde. Medicinaal wordt de witte dovenetel (Lamium album) nog weinig gebruikt en dan zijn het vooral de lipbloemetjes die gegeten worden. De plant heeft zijn naam dove-netel te danken aan de overeenkomst van haar bladeren met die van de brandnetel. Dovenetelblaadjes die doof zijn, niet "prikken".
De dovenetel komt voor in Europa en Azië en groeit bij voorkeur enigszins beschut onder hogere planten, zoals bomen en struiken, vooral in tuinen, langs de kant van wegen, hagen en muren. Ze houdt van een koel-vochtige omgeving, maar weet zich op vele plaatsen te vestigen.

In mijn jeugd was het een geliefde bezigheid, de bloemen te plukken en uit te zuigen om de kleine druppeltjes nectar te proeven. Rond 1300 noemde Jan Yperman het 'honichbloem'. Ook namen als 'suikertjes', 'suikernetel' en zuugbloem' of 'zuiglammetjes' kom je inde geschiedkundige naamgeving tegen. Wel wat apart, maar toch hiermee in verband staand, zijn de Belgische bijnamen 'mammeluiten', 'memmen-kruid' en 'memmekens'. Deze naamgeving heeft te maken met borsten of 'mammae'. Zuigbloemen was dus wel een heel toepasselijke naam.

De Duitse geneeskundige en mystica Hildegard von Bingen (1098-1179) waardeerde de "Bienensaug", zoals zij de dovenetel noemde, ook al.
Zij schrijft 'De dovenetel is warm en een mens, die haar eet, lacht graag, omdat haar warmte invloed heeft op de milt en bijgevolg het hart verheugd wordt. Maar bij wie er wit in de ogen groeit, hij moet ze met de wortel uit de aarde trekken en dezojuist ontwortelde plant 's nachts in het water van een opborrelende bron leggen, en dan de plant verwarmen in een pan,nadat ze uit het water genomen werd. En zo legt hij ze warm op zijn ogen. En dit moet hij doen gedurende drie nachten, en het wit in zijn ogen zal kleiner worden en verdwijnen.

De bloemen werden vooral gebruikt bij vrouwenklachten, in de eerste plaats onregelmatige en pijnlijke menstruatie, ontstekingen aan het onderlichaam en witte vloed. Bij deze problemen werd ook een uitwendige behandeling in de vorm van baden aanbevolen. 

Dovenetel hedendaags nog weinig in gebruik dus, is lang geleden ook verbannen uit mijn cursusboek, maar als ik nieuwe wetenschappelijke literatuur mag geloven, is er misschien toch nog een therapeutische toekomst voor deze dovenetel.

The German Commission E recommends the use of dead nettle tea for treating catarrh of the upper respiratory passages (internally) and a topic treatment of mild inflammation of the mucous membranes of the mouth and throat and for non-specific leucorrhoea. Dead nettle infusions are also recommended externally for mild superficial inflammation of the skin. The German Commission E recommends a daily dose is 3 grams for internal use and 5 grams for external use as a hip bath. May be made into a tea or added to mouth rinses, baths, and compresses. For tea preparation: Pour boiling water over 1 gram (1 teaspoon = 0.5 grams) of finely chopped white dead nettle, steep for 5 minutes, then strain. To relieve respiratory ailments, drink one cup with honey several times per day.

Referenties
  • J Nat Prod. 2009 Dec;72(12):2158-62.Lamiridosins, hepatitis C virus entry inhibitors from Lamiumalbum. Zhang H, Rothwangl K, Mesecar AD, Sabahi A, Rong L, Fong HH.Phytochemical study of the aqueous extract of the flowering tops of Lamium album led tothe identification of the antiviral iridoid isomers lamiridosins A and B. These compounds werefound to significantly inhibit hepatitis C virus entry (IC(50) 2.31 muM) in vitro. Studies of 14iridoid analogues showed that, while the parent iridoid glucosides demonstrated no anti-HCV entryactivity, the aglycones of shanzhiside methyl ester, loganin, loganic acid, geniposide(10), verbenalin , eurostoside, and picroside II exhibited significant anti-HCV entry and anti-infectivity activities.
  • Budzianowski J, Skrzypczak L. 1995. Phenylpropanoid esters from Lamium album flowers.Phytochemistry 1995 Mar; 38(4): 997-1001.
  • Savchenko T, Blackford M, Sarker SD, Dinan L. 2001. Phytoecdysteroids from Lamium spp:identification and distribution within plants. Biochem Syst Ecol 2001 Oct; 29(9): 891-900.
  • Wichtl M and NG Bisset (eds). 1994. White Dead Nettle. In Herbal Drugs and Phyto-pharmaceuticals. (English translation by Norman Grainger Bisset). CRC Press, Stuttgart, Pp. 288-291.

woensdag, mei 12, 2021

Grote muur ook een plant

Vrolijk wit feest op mijn verjaardag, Grote muur bloeit. In ons Bonsoybos zijn soms hele plakkaten te vinden met donkergroene smalle bladeren. Zeker als de grote witte bloemen in flinke aantallen aanwezig zijn, valt de Grote muur, Stellaria holostea, direct op. 

De overjarige plant is een mooi voorbeeld van een plantensoort uit de Anjerfamilie. Na de herfst sterven de bovengrondse delen van de Grote muur af, maar die blijven als een beschermende laag in de winter op de bodem achter.

De grote muur, een plant die niet direct voor van alles en nog wat goed is, wel goed om van te genieten. Een vrolijke witte waterval. De bekendere verwant vogelmuur heet in het Duits Vogelmiere en in het Frans kent men de volksnaam Mouron des oiseaux. Bij Dodoens (1644) kwam Vogelmuur “van de fransoysen du Mouron; van de welcke de Nederlanders den naem Muer ghenomen hebben“. Het is dus hoogstwaarschijnlijk dat de naam Muur (die ook voorkomt in de Nederlandse namen van soorten van de geslachten Stellaria, Arenaria en Sagina) afgeleid is uit het Franse Mouron. Eigenaardig genoeg beweert een Franse onderzoeker net het omgekeerde: “Le terme de ‘mouron’ dérive du neérlandais moyen muer (…).” Wie heeft er gelijk?

De wetenschappelijke naam Stellaria is afkomstig van het Latijnse stelle, ster, naar de in een ster gerangschikte bloemblaadjes. Holostea komt van het Griekse holos: geheel, en osteon: been, een naam die dateert van Dioscorides, heelbeen. Het Engels break-bones of all bone, ouder all-bones, mogelijk naar zijn brosheid, verwij­st ook naar zijn denkbeeldige krachten. De knopen van de plant zijn gezwollen als de lendenen en zo heelt het mogelijk ook de gebroken beenderen. (of naar het gemakkelijk breken van de stengels).

Volgens Fuchsius verbind het volksgeloof de naam met iets dat angst aanjoeg. De bloemen lichten ‘s avonds en ‘s nachts onder de hagen op als witte ogen, duivelsogen, Engelse devils’s eye en in Duits Teufelsblumen. Die plant behoorde tot de duivel en de slangen. Kinderen in Cornish waren bang om de bloemen te plukken, als ze het deden zou de adder hen bijten. Vaak komen in het voorjaar de adders uit om zich te zonnen in de hagen. Wel vreemd hoe zo'n vrolijk bloemetje ooit duivels kon zijn.