Reeds in de tijd van Dioscorides werd de plant gebruikt tegen menstruatieklachten en hoofdpijn. In de Middeleeuwen werd het als hoofdpijnmiddel gekweekt in de kloostertuinen. Ook als koortswerend kruid was de Feverfew toen bekend. Vooral in Engeland werd het Moederkruid populair door de publicatie van de beroemde herbalist John Gerard ‘Herball’ (1597). Hij schreef ‘gedroogd en verpulverd, twee drachmen vermengd met honing of zoete wijn, verdrijft het flegma en zwaarmoedigheid, het is goed voor allen die draaierig in het hoofd zijn, of die de duizelingen hebben, genaamd vertigo’.
In Groot-Brittannië bleef moederkruid een veelgebruikt huismiddel. Eind jaren zeventig van de vorige eeuw berichtte de Britse pers over een patiënt uit Wales die symptoomvrij was geworden na tien maanden lang dagelijks moederkruidbladeren te hebben ingenomen. Klinische onderzoeken volgden. Aanvankelijk werd het kruid vers op brood gegeten. In de natuurgeneeskundige praktijk waren tincturen en extracten ook gebruikelijk voordat capsules en tabletten beschikbaar kwamen.