maandag, mei 28, 2018

Zuring

Wegkanten en weilanden zien weer roestig rood van de bloeiende zuring. Rumex is  het  Latijnse  woord  voor deze plant  met bitterzure  smaak.  De  verwijzing  in  de  naam  naar  die  zure  smaak,  vinden  we  in  alle  talen  terug.  Het  Franse  woord  'oseille'  komt  van  het  grieks  'oxus'  =  zuur.  Weinig  planten  dragen  zo  duidelijk  hun  eigenschappen  in  hun  naam.  Rumex  was  ook  de  naam  voor  een  lans  of  werpspies,  wat  verwijst  naar  het  pijlvormig  blad  van  zuring.

Vele  soorten.
Schapenzuring,  ridderzuring,  Spaanse  zuring,  veldzuring,  zijn  enkele  zuringsoorten  die  ook  nu  nog  veel  voorkomen.  In  ons  land  groeien  een  twintigtal  wilde  soorten  zuring.  Sommige  daarvan,  onder  andere  de  veldzuring,  zijn  bruikbaar  in  de  keuken.  De  meeste  soorten  zijn  echter  te  bitter  om  in  de  keuken  gebruikt  te  worden.  Men  vindt  zuring  in  weilanden,  aan  de  boskant,  op  zandgronden  en  op  wegbermen.  Langs  sommige  autowegen  zien  de  bermen  in  het  voorjaar  rood  van  de  in  zaad  schietende  schapenzuring.  De  veldzuring  is  mogelijk  het  meest  in  het  wild  geplukte  keukenkruid  terwereld.  Zuring  wordt  al  als  keuken-  en  geneeskrachtig  kruid  beschreven  sinds  er  boeken  bestaan.  De  zuring  verbastert  gemakkelijk,  wat  betekent  dat  de  verschillende  soorten  elkaar  onderling  bestuiven,  dus  bevruchten,  Daardoor  wordt  identificatie  of  het  determineren  van  de  zuringsoort  moeilijk.

 Geschiedenis 
 Zuring  was,  net  als  spinazie,  in  de  middeleeuwen  een  symbool  van  de  groene  kleur.  Groen  had  in  de middeleeuwen  ook  de  betekenis  van  'jong'  of  '  vers'.  Het  was  al  in  de  Oudheid  vermaard  en  werd  toen  ook  gebruikt.  De  Egyptenaren  en  de  Romeinen  gebruikten  zuring  als  verteringsbevorderend  kruid  bij  het  nuttigen  van  vette  spijzen.  Horatius  (geboren  in  65  voor  Christus),  spreekt  in  zijn  'Drie  liederen  uit  mijn  landhuis'  over  zuring.'Non  attagen  ionicusiucundior  quam  lecta  de  pinguissimisoliva  ramis  arborumaut  herba  lapathiprata  amantis  et  gravimalvae  salubres  corpori.  '  Antoon  Van  Wilderode  vertaalde  het  zo: 'Geen  parelhoen  of  korhaan  uit  Ionïe zal  mij  zo  zalig  smaken  als  olijven met  zorg  verzameld  van de rijkste takken en  zuring  die  zo  graag  groeit  in  de  weiden en  malve,  medicijn  bij  constipatie'. Horatius  kende  blijkbaar  ook  de  genezende  eigenschappen  van  zuring.  Zo  was  zuring,  overgoten  met  witte  wijn,  volgens  hem  goed  voor  hen  die  last  hadden  van  aerofagie  of  winderigheid:  'si  dura  morabitur  alvus'  'Als  de  buik,  zo  dik  als  een  biekorf,  verstopt  blijft.'

Petrus  Nijlandt  citeert  verschillende  beroemde  voorgangers

  • Tegen  ontsteking  van  de  maag,  lever  en  gal  en  de  onmatige  dorst  in  hete  koortsen:  Kook  drie  handen  vol  zuring  in  voldoende  gerstewater  tot  een  pint,  als  het  door  gezeefd  is  doe  er  drie  ons  siroop  bij  dat  van  zuringsap  gemaakt  is  en  laat  hiervan  dikwijls  drinken.  Hiertegen  kan  ook  nuttig  het  sap  dat  uit  de  zuring  geperst  is  of  het  gedistilleerde  water  dat  hier  uit  gemaakt  is  gebruikt  worden.  Dodonaeus,  Fuchsius,  Durantus.
  • Tegen  zwellen  van  de  ogen:  Leg  zuringbladeren  enige  tijd  onder  de  hete  as  en  bindt  ze  op  de  ogen.  Ravelingius.
  • Tegen  schurft:  Neem  sap  van  zuring  en  van  duivenkervel,  van  elk  een  half  mutsje  en  laat  dit  enige  dagen  achtereen  nuchter  innemen. Stocker.
  • Tegen  nierstenen:  Kook  de  wortel  van  zuring  in  wijn  en  laat  er  van  drinken.  Ravelingius.

Verfrissend  en  licht  laxerend  zijn  zeker  ook  nu  nog  eigenschappen  van  veldzuring  en  schapenzuring.  Ook  tegen  huidirritatie,  bijensteken  en  netelprik  kan  het  blad  en  sap  verzachtend  werken

vrijdag, mei 18, 2018

Kamillebloemen oogsten

Net wat bloemen van echte kamille geoogst. Deze Matricaria recutita is een veel voorkomend akkeronkruid, maar deze bloemhoofdjes mooi en veilig plukken is niet altijd gemakkelijk. Hoe veilig zijn planten langs akkers en braakliggende terreinen? 

 Een interessante zeer oude Oosterse bereidingswijze is de bloemen in sesamolie laten trekken. In gebruik tegen oa migraine.

Een wetenschappelijk onderzoek: 
Migraine is a chronic recurring headache for which no complete treatment has been found yet. Therefore, finding new treatment approaches and medicines is important. In this review, we consider the probable mechanism of action of a traditional and ethnic formulary of chamomile extract in sesame oil as a new topical medication for migraine pain relief. Chamomile oil is prepared in Traditional Persian Medicine by boiling aqueous extract of chamomile in sesame oil. To optimize the procedure, we can use a Clevenger-type apparatus to extract the essential oil and add it to the end product. The preparation includes both essential oils (chamazulene and bisabolol oxide) and polyphenols (a flavonoid such as apigenin and its derivatives). It probably possesses pain relief effects for migraines because of the following properties: (1) chamazulene and apigenin, which inhibit iNOS expression in activated macrophages and can lead to the prohibition of NO release and synthesis; (2) chamomile flavonoids, which have a strong inhibitory effect on endogenous prostaglandin E2 (PGE2) levels in RAW 264.7 macrophages and can play the role of selective COX-2 inhibitor; (3) chamomile polyphenols, which possess anti-inflammatory effects due to the inhibition of pro-inflammatory biomarkers in THP1 macrophages and which can reduce inflammation in neurovascular units (NVU) at the site of migraine pain; (4) chamomile, which has neuroprotective effects because of reduced NO levels; (5) sesamine in sesame oil, which possesses an anti-inflammatory effect. These effects are supported by main pathophysiological theories of migraine such as neural and sensitization theories. Chamomile oil is a traditional formulation still used in Iran as an ethno-medicine. Because of the mentioned mechanisms of action, it can be hypothesized that chamomile oil is a novel medicine for the relief of migraine pain.

Potential effect and mechanism of action of topical chamomile (Matricaria chammomila L.) oil on migraine headache: A medical hypothesis. Med Hypotheses. 2014 Nov;83(5):566-9.


zaterdag, april 28, 2018

Bosandoorn

Op ons kruidenweekend bij Bonsoy maakten we een wilde soepwandeling: berenklauw, look zonder look, vogelmuur, daslook, goudveil en nog veel meer werden geplukt en verwerkt in de soep. Brood en een dipsaus van mayonaise met gemixte daslook en een geplette verse geitenkaas zomaar gemengd met bosandoorn. Ja bosandoorn toch een plantje met wat vreemde, roetachtige smaak, maar gemengd met geitenkaas en lichtjes gesmolten in de warme wilde soep een delicatesse. Met dank aan Virginie voor de suggestie.

Wat wetenschappelijk onderzoek Stachys sylvatica / Bosandoorn

Stachys is one of the largest genera in the Lamiaceaeplant family. It is a genus of about 300 species and a subfamily of Lamioideae. The distribution of the genusbcovers Europe, Asia, Africa, Australasia, and North America. This plant grows in different regions of Iran's
provinces such as Isfahan, Chaharmahal and Bakhtiari, and Lorestan. In traditional medicine, this herb is considered as anti-pain, anti-neuralgia, antioxidant, antipyretic, and appetizer[62]
Sereshti et al. investigated the effect of aqueous and alcoholic extracts of the plant Stachys sylvatica on T. vaginalis in vitro. Their results indicated that aqueous and alcoholic extracts of the plant after 72 hours in medium culture TYI-S-33 had no effect on T. vaginalis, and
metronidazole was more effective than this extract

Nat Prod Res. 2012;26(18):1676-81. doi: 10.1080/14786419.2011.613384. Epub 2011 Oct 20.
Essential oil composition and antioxidant activity of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) from different wild populations in Kosovo. Hajdari A1, Novak J, Mustafa B, Franz C.
Leaves and inflorescences of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) were collected from three different wild populations in Kosovo to study the natural variation of the chemical composition of essential oils, total flavonoids, total phenolics and the antioxidant activity. Essential oils were obtained by steam distillation and analysed by GC-FID and GC-MS, whereas total flavonoids, total phenolics and antioxidant activities were determined by spectrophotometric methods. Yields of essential oils ranged from 0.001% to 0.007% (v per dry weight). Twenty-eight volatile constituents were identified. The main constituents were α-pinene, β-pinene and germacrene-D. Total phenolics ranged from 39.3 to 70.8 mg g⁻¹ dry mass, whereas total flavonoid content ranged from 30.44 to 70.63 mg g⁻¹ dm. The antioxidant activity, as measured by the DPPH method, exhibited a rather high degree of activity ranging from 25.5% to 57.2%, whereas the FRAP antioxidant activity showed a lower variability and ranged from 93 to 133.4 mg g⁻¹ dm.

  • Hajdari A, Novak J, Mustafa B, Franz C. Essential oil composition and antioxidant activity of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) from different wild populations in Kosovo. Natural product research 2012; 26(18): 1676-1681. 
  • Sereshti M, Yousofi Darani H, Zebardast N, Rafean M, Manochehre Naeini K, Yousofi HA. Effect of ethanolic and watery extract of aerial parts of Stachys Lavandulifolia on Trichomonas vaginalis, in vitro. Journal of medicinal plants 2012; 1(41): 159-165.


vrijdag, april 27, 2018

Gele velden

Op vele plaatsen zie je nu de bermen en akkerranden geel kleuren door raapzaad of koolzaad. Ze lijken erg op elkaar.  Raapzaad is een inheemse wilde plant, terwijl koolzaad vooral is aangeplant voor landbouwdoeleinden en is verwilderd.

Het verschil?
Bij raapzaad zijn de bloemknopjes korter dan de al bloeiende bloemen, terwijl bij koolzaad de knopjes boven de bloeiende bloemen uitsteken. Raapzaad bloeit over het algemeen ook iets eerder dan koolzaad, maar op dit moment treft je beide bloemen aan.

Koolzaad heet officieel Brassica napus, het is één van de vele leden van de Kruisbloemen-familie, waar o.a. alle koolsoorten, die we als winter-groenten kennen, maar ook radijs, rettich, rucola, mosterd, Kailaan en Yu Choy Sum bij horen. De heldergele koolzaad-bloemen groeien uit dikke knoppen, ze hebben 4 kroon- en 4 kelkblaadjes, die samen een -dubbel- mooi ‘kruisje’ vormen en staan in trossen bij elkaar. Koolzaad-bloemen hebben een fijne zoete smaak en zijn zeer geschikt voor fijne garneringen. Vanaf half April tot eind Juni zijn de bijen ook blij met deze bloemen, imkers brengen daarom jaarlijks hun bijen-volken naar de bloeiende Koolzaad-velden. De Koolzaad-honing is goed voor de luchtwegen en werkt inwendig sterk reinigend. De zaden bevatten veel 43% koolzaad-olie, die na koude persing dient als natuurlijke grondstof voor o.a sla-olie, margarine en mayonaise, maar ook voor bio-diesel. In Noord Amerika wordt deze brandstof ‘Canola’ genoemd, wat staat voor: CAN-adian Oil Low Acid. Koolzaad is ontstaan uit een kruising van wilde kool en raapzaad.





dinsdag, april 24, 2018

Over Jim Duke

In December 2017 overleden James A. Duke.

Remembering Jim Duke by Mark Blumenthal
HerbalGram. 2018; American Botanical Council

The worlds of ethnobotany and herbal medicine have lost one of their truest and strongest champions with the passing of Jim Duke, PhD, at age 88 in December 2017. Jim was one of the most prolific and influential people in the modern herbal medicine scene and was respected by scientists, herbalists, and the many thousands of readers of his books and articles.

I met Jim at the first Herb Trade Association symposium in Santa Cruz, California, in the spring of 1977. Over the years, he sent me large manila envelopes full of photocopied botanical research articles from the US Department of Agriculture (USDA) addressed to “Dr. Mark Blumenthal” so he could use the USDA’s franking privileges (free mail for government employees). Jim was the first person who consistently, and jokingly, referred to me as “Doctor.” (I do not have a formal advanced degree, like many of my herbal brothers and sisters.) Jim was one of my most influential mentors and exhibited a passion for all vascular plants, their myriad properties, and their countless benefits for indigenous peoples as well as those in developed societies — the stuff of ethnobotany.

I am profoundly grateful to have known and learned from him, and that he supported my efforts to start and build ABC. He was one of the first three board members when ABC was founded in November 1988, along with the late Professor Norman Farnsworth, PhD, a respected pharmacognosist, and me. (The esteemed Professor Varro Tyler, PhD, joined the board a few years later.) Until his passing, Jim remained on the ABC Board of Trustees as the Director Emeritus, or “Director Demeritus,” as he frequently referred to it in his usual way of wryly twisting language.

We took numerous trips together to the Peruvian Amazon and Andean highlands, as well as Belize, Costa Rica, Kenya, and South Africa. We even found ourselves hanging out in Seoul, South Korea, at the 3rd International Ginseng Symposium in 1980.

I have so many fond memories of Jim; here are but a few:

His singing and playing a beat-up Spanish guitar in the screened-in bar at Explorama Lodge on the Amazon, downriver from Iquitos, Peru. (On many trips to Amazonia, he would take a beat-up acoustic guitar and leave it there for the locals.)

Drinking the crude aguardiente rum distilled from the fermented sugarcane juice, which was squeezed out of the caña (sugarcane) by a primitive press powered by an ox that tread a well-worn circular path on the bank of the Amazon near Explorama.

Eating suri — the nutritious larvae of the South American palm weevil — at a rustic, no-frills camp on the Napo River. (Being omnivorous, he ate the suri; being vegetarian, I did not.)

His “Dukeisms”: Jim’s well-known wordplay (e.g., as in the double entendre “Herbalbum,” his anthology of “Varicose Verse,” and his book Lewd Latin Lexicon) and stream-of-consciousness emails (Steven Foster, an inveterate and unrepentant archivist, has collected hundreds of them). He penned articles for HerbalGram when it was still a newsletter in the early- to mid-80s, and I enjoyed the challenge of editing his often-poetic prose.

We extend our deep gratitude to Helen Lowe Metzman for her contribution to this issue, and to Jim’s life. Helen is the chief gardener at Jim and his wife Peggy’s six-acre Herbal Vineyard at their home in rural Maryland, and was Jim’s right-hand helper for the past decade. The day after Jim passed over, Helen sat down at his desk and wrote a heartfelt tribute on his old desktop computer. We include Helen’s account in our special section devoted to Jim.

To provide a detailed insight into Jim’s professional life and publications, Steven Foster, botanist, author, and co-author of one of Jim’s most popular books (Peterson Field Guide to Medicinal Plants and Herbs of Eastern and Central North America) has written what will no doubt become the definitive summary of Jim’s many botanical accomplishments. Included in Steven’s compelling 7,000-plus-word article is the story of how Jim documented the potential adverse effects of the proposed use of nuclear weapons in the 1960s to create a new Panama Canal on the plants, environment, and native peoples of the region. Jim spent a considerable amount of time in Panama inventorying the plants of the rainforest and befriending the local people.

I’ve never known anyone like Jim Duke, and I know that my life and the lives of so many others who respected, admired, and loved him are immensely richer for having known him. Whether you knew Jim or not, you will enjoy reading Helen and Steven’s tributes to him in our 18-page spread with colorful photos and stories of the man who helped propel herbal medicine in ways that can never be fully measured.

maandag, april 16, 2018

Weegbree moet het nu waar maken

Vers weegbreeblad moet nu maar eens onze redder in luchtwegennood worden. Na weken problemen met keel, krampachtig hoesten en veel slijm en vele goede kruiden (salie, tijm...) geprobeerd te hebben is het nu de beurt aan weegbreeblad.

Vers weegbreeblad is er in principe genoeg te vinden toch valt het nog vies tegen om genoeg planten in eigen tuin te ontdekken. En ik wil juist vers blad gebruiken omdat vers in dit geval beter werkzaam is dan gedroogd.  We plukken 3 maal daags 5 blaadjes om 1 kop thee te trekken. En nu enkele dagen afwachten op de resultaten.

Bijschrift toevoegen
Over Plantago lanceolata of smalle weegbree.

De plant komt oorspronkelijk uit Europa en West-Azië, maar werd door de Europeanen over de gehele wereld verspreid als ‘het voetspoor van de blanke man’. Het weegbree-zaad wordt kleverig in vochtige toestand en blijft dan gemakkelijk plakken aan de voetzolen van wie er overheen loopt.

De soortnaam ‘Plantago’ komt van het Latijnse woord ‘planta’ voor ‘voetzool’. ‘lanceolata’ betekent ‘lancetvormig’ en verwijst naar de bladvorm. De grote weegbree, Plantago major, heeft bredere, meer ronde bladeren – ze zijn ook donkerder groen van kleur – en zoekt de vochtige schaduw op, terwijl de smalle weegbree een voorkeur heeft voor zandige, drogere bodems, en in het algemeen een ‘drogere’ indruk maakt. Plantago lanceolata, komt iets minder voor dan de grote weegbree, maar beide behoren tot de meest algemene onkruiden die langs onze wegen, in onze tuinen en graslanden voorkomen.

Smalle weegbree is een overblijvende plant met een korte, stevige wortelstok en lange, smalle bladeren, die rechtstreeks uit de grond lijken te komen (wortelrozet). Daartussen rijzen stevige, bladerloze stelen omhoog, die uitmonden in een groen-bruinige aar, die vele nietige, doorzichtige, geurloze bloempjes verenigt.
De bloempjes zijn tweeslachtig, de meeldraden ontwikkelen zich echter later dan de stijl, waardoor men bovenaan de aar meestal alleen stijlen ziet uitsteken en onderaan alleen meeldraden (met de opvallend witte helmknoppen), ofwel onderaan alleen stijlen en bovenaan nog gesloten bloempjes. De bloei, die al in april kan starten, loopt soms door tot aan de eerste vorst. De vrucht is een tweehokkige doosvrucht die met een dekseltje openspringt.

Alom bekend is het gebruik om vers geplukt (iets gekneusd) weegbreeblad als noodpleister direct op een verse wond te leggen of om daarmee bij insectensteken jeuk en zwelling acuut te verlichten.

Van oudsher worden weegbreepreparaten ingezet in voorjaarskuren om het bloed te reinigen, maar vooral ook bij catarrale luchtwegproblemen en huidaandoeningen. Terecht, zo beseft men meer en meer, want bij wetenschappelijk onderzoek worden steeds meer farmacologische effecten aangetoond en ‘geneeskrachtige stoffen’ ontdekt.

Zo wordt de antibacteriële, ontsteking remmende werking van Plantago lanceolata vooral toegeschreven aan de iridoïdglycosiden, met als hoofdbestanddeel aucubine (de activiteit ervan vermindert wel bij opwarmen). Het verzachtend effect op de hoestprikkel verbindt men vooral met het hoge gehalte aan slijmstof-polysacchariden. Als verdere belangrijke inhoudsstoffen van Plantago lanceolata worden genoemd: flavonoïden (vooral apigenine en luteoline), fenylethanoïden (acteoside), looistoffen, coumarine-glycosiden (aesculetine), chlorogeenzuur, enzymen (invertase), vrij veel kiezelzuur en een hoog gehalte aan kalium.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’ dat er voldoende evidence is voor de (orale en oromucosale) toepassing van extracten van Plantago lanceolata in de ‘symptomatische behandeling van geïrriteerd mond- en keelslijmvlies, gepaard gaande met droge hoest’. En dat hebben we nu net nodig.

zondag, april 15, 2018

Over de zeldzaamheid van planten en de zelfgenoegzaamheid van mensen.

Primula vulgaris geplukt,
verwerkt en vermeerdert
Over de zeldzaamheid van planten en de zelfgenoegzaamheid van mensen. Of moet ik schrijven over de zelfgenoegzaamheid van natuurliefhebbers? Op internet en Facebook word ik regelmatig geconfronteerd met mensen die zogenaamd bezorgd zijn over de natuur en de wel of niet zeldzame planten tegen die onverlaten van plukkende herboristen willen beschermen. Alsof herboristen geen plichtbewuste natuurliefhebbers zijn en alsof het plukken van planten altijd slecht zou zijn voor die planten. Wij wonen gedeeltelijk in Bretagne en sommige mensen in Belgie schrikken als we daslook, stengelloze sleutelbloem of navelkruid zomaar plukken en zelfs opeten.

Om te beginnen zijn deze 3 planten hier zeer algemeen, evenveel voorkomend als bijvoorbeeld de paardenbloem, daarbij zijn het meestal planten die we in onze eigen tuin plukken. Het plukken van delen van planten is voor de sleutelbloem en konsoorten ook niet altijd slecht, integendeel het stimuleert juist de groei. Zelfs bij het oogsten van een deel van de wortels doe je aan verjonging van de plant. Om nog maar te zwijgen over het bewustzijn dat je krijgt door zo intens met deze planten bezig te zijn. Een bewustzijn dat sommige theoretische natuurliefhebbers blijkbaar missen. Ik wens hen dan ook meer lijfelijk genot in de natuur. Met je lichaam in het landschap.

Over de sleutelbloem


Stengelloze sleutelbloem / Primula vulgaris in eigen tuin
Een plant die in het voorjaar tuin en weiland opvrolijkt is de stengelloze en andere sleutelbloemen. Vorig najaar heb ik er heel wat gescheurd, die kleine rozetten lijken nu het voor het eerst te willen bloeien.
Een bos bedekt met gele sleutelbloemen is een van mijn kleine voorjaarsgeneugten. Nog meer genot geven ze als je de oude verhalen over deze Primula’s kent. Een Griekse jongeling Paralysos genoemd, was zo bedroefd over de dood van zijn bruid, dat de goden, bewogen door deze grote liefde, hem in een Sleutelbloem veranderde. Interessante geschiedenis maar of die jongeling daarmee gelukkig was, vertelt het verhaal niet. Wel werd daarmee de oude naam Herba paralysis, een kruid tegen verlammingen verklaard. Mogelijk zijn veel van die vreemde verhalen ook ontstaan om medicinale en andere nuttige informatie beter te kunnen onthouden. Hildegard, 12de eeuw, noemde de plant Hemelsleutel of Hymelsloszel, een naam die zou komen van de gevallen sleutelbos van Sint-Pieter en nog verder teruggaand van de Germaanse godin Freya. De plant zou de sleutel zijn naar de verborgen schatten, naar het geluk en de wijsheid. Zo iets als een nieuwe lente en een nieuwe hoop. Meer aardse benamingen zijn Eierkruid, Koekebloem en zelfs Pannekoekjes, omdat de bloemen ook in de pannenkoeken en koekjes meegebakken werden.
Ook Jacob van Maerlant in zijn ‘Naturen Bloeme’, een boek waarmee we in het middelbaar onderwijs belast werden, dichte over deze bloem:

Primula dats een kruut
Tierste dat te lentin coemt uut,
Ende taleerst dat bloemen draghet.
Dit cruut,alsmen ons gewaghet,
Ghedronken met roeden wine,
Dats volmaeckte medicine
Ghedronken in alre noet
Jegent swaer evel goet.

Sleutelbloem in Bretagne
In Bretagne vinden we de Primula vulgaris massaal in de natuur. De sleutelbloemen worden hier ook wel 'Coucou' koekoek genoemd, omdat ze allebei de lente aankondigen.
Les feuilles et fleurs peuvent être consommées crues ou cuites comme pour la primevère élevée (Primula eliator), la primevère officinale (Primula veris)
Les feuilles sont meilleures lorsqu'elles sont jeunes et apportent une note légèrement anisée un peu piquante (que l'on retrouve en plus fort dans les racine) dans une salade composée. Après le printemps, il vaut mieux les cuire en soupe ou en légume mais de préférence avec d'autres plantes car elles sont parfois un peu fortes. La friture les rend croustillantes à souhait. Elles flétrissent lorsque la plante a formé ses graines. Les fleurs sont consommées en salade mêlées à d'autres fleurs et interviennent dans différents breuvages (thés, tisanes, infusions, sirops ; aromatisation du vin et des vinaigres). Elles décorent les plats chauds ou froids et sont également utilisées confites au sucre en pâtisserie4.

Propriétés médicinales sont les mêmes que celles de la primevère officinale et de la primevère élevée :
  • les fleurs, adoucissantes et calmantes, sont utilisées dans des mélanges pectoraux ;
  • les feuilles sont anti-ecchymotiques ;
  • toute la plante et particulièrement la racine ont des propriétés analgésiques, anti-spasmodiques, diurétiques et expectorantes.
Meer over sleutelbloem



dinsdag, april 10, 2018

Over de aartsengelwortel

De grote engelwortel is al vroeg in het voorjaar volop aan de groei. Het is nu ook het moment  om de zachtere stelen te oogsten om de klassieke confijt te maken. Maar...dit jaar wil ik alleen maar genieten van dat hoopgevend groen.

De grote engelwortel is door de eeuwen heen bewondert en geprezen geweest. Zo schreef Hondius in zijn leerdicht: Als de peste door het landt henen loopt en Godes handt op der aerde is verheven : doe elck een een saetgen geven dach voor dach om op te vasten van d'oprechte Angelica.' 

Aartsengel Michael zou deze plant als geneesmiddel tegen de pest hebben aangewezen. Vandaar de naam. Verplegers van pestlijders kauwden dan ook op de wortels om zich 'de haastige ziekte' van het lijf te houden. Dodonaeus zag het zo 'Deseselve wortel nuchter inghenome oft alleen in den mont ghehouwe bewaert oock ende beschermt den mensche van der haestighe sieckte, van alle quade lochten ende fenijn. Ook andere infectieziekten, vergiftigingsgevaren, beten van dolle honden werden met angelica behandeld. De wortels hadden geneeskundig de beste reputatie, maar ook ook de bladeren en de zaden werden toegepast: 'Oock schrijft men den  Angelica toe dat die bladeren daer af met Ruyte ende huenich vermenght seer goet gheleyt sijn op die beten van verwoede honden'.

Angelica, dat zelf een tegengif is, was een van de ingrediënten van de theriak, een beroemd middeleeuws tegengif, samengesteld uit tientallen kruiden en zo kostbaar datalleen de welgestelden het zich konden permitteren.Sterk ruikende planten werden in vroeger tijden algemeen als desinfecterende middelen gebruikt. Engelwortel, met zijn uitgesproken muskusgeur, was daarop geen uitzondering. De wetenschap heeft de waarde van dit gebruik wel bevestigd. De proeven toonden aan dat de olie van angelica, evenals trouwens van kaneel en tijm, dodelijk is voor verschillende bacteriën. Het branden van de zaadjes op kolen of op een kachelplaat was een oud Engels gebruik waardoor het huis geparfumeerd én ontsmet werd.

 Men kan ook zichzelf reinigen en beschermen door het nuttigen van angelica, althans volgens Beauvillard die een zogenaamd geheim vertelt: "Neem smorgens een aftreksel van Engelwortel, 22 gram voor een 1 liter water.' Diegene die dit geheim recept gebruikte zou 112 jaar geleefd hebben. Wel een eenvoudig recept om geheim tezijn.Ziekten werden vroeger als werk van de duivel beschouwd, of zouden in ieder geval van boze machten afkomstig zijn. Hielp een plant tegen een kwaal, dan diende hij tevens tegen boze krachten. Zodoende werd een bezetene met bladeren van wortel ingewreven.

John Gérard schrijft met ontzag over de uitdrijvende kracht van angelica:'... although tbe corrupt aire have possessed the heart, yet it driveth it out againe. Dodonaeus is meer terughoudend in deze. Weliswaar schrijft hij dat 'dese wortelen oock goet ende krachtigh sijn om alle toverijen, belesinghen ende vervloekinghen vanquade menschen te beletten ...', maar hij neemt het niet voor eigen rekening.

Over engelwortel als maagmiddel was men het algemeen eens. Het Angelicawater, waarin ook korianderzaad was verwerkt, gold als erkend medicijn tegen maagkwalen. Zowel de tot poeder gemalen wortels als thee van de bladeren en stengels werden voor de zieke maag gebruikt. En daar ik het ook nu zeker nog goed voor.Broeder Aloysius, een leerling van de beroemde pastoor Kneipp, raadde engelwortel aan bij maar liefst alle chronische aandoeningen, als daar zijn: wisselkoorts, bleekzucht, zenuwhoofdpijn, zenuwziekten, krachteloosheid, jicht, verslijmde longen,enzovoort. 'Neemt uw toevlucht tot deze wortel, hij werkt uitstekend.' Geen wonder dat een dergelijke panacée als een heilige plant werd beschouwd.

In België en de Nederlanden werd hij wel Heiligen Geestkruid genoemd en in Engeland Herb of The Holy Ghost, zeer tot ongenoegen van Culpeper, die een toornig betoog afsteekt in zijn Complete Herball tegen godslasteraars 'die zich als heidenen en paapsen opstellen' : ' Alas ! I am sorry for their folly, and grieved at their blasphemy. God send them wisdom the rest of their âge, for they have their share of ignorance already.' Hij vervolgt zijn kapittel nog een volle alinea om dan te besluiten met een vermakelijk staaltje Brits zelfvertoon: 'Others more moderate called it angelica ... and that name it retains still, and all nations follow it so near as their dialect will permit.' Over de plant zelf geen kwaad woord, hij noemt meer dan dertig deugden van de engelwortel en vermeld ook het gebruik van geconfijte stelen. 'The stalks or roots candied are good preservatives in time of infection, and at other times to warm and comfort a cold stomach'. Als besluit een meelevend woord van Broeder Aloysius gericht aan alle mensen die last hebben van nervositeit 'Arme zenuwlijders, beproeft eens den Engelwortel, het zal u niet berouwen'. Blijkbaar hadden ze honderd jaar geleden ook al last van zenuwen.

Meer over Angelica https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/angelica-archangelica-aartsengelwortel


donderdag, maart 22, 2018

Navelkruid of Nombril de Vénus

In het vroege voorjaar, eind maart, word ik in Bretagne door Nombril de Venus ontvangen. Nee....ja, gewoon een vettig plantje zeer zeldzaam in België maar in het natte Bretagne vreemd genoeg volop aanwezig. Het ronde blad met een putje in het midden heeft blijkbaar de verbeelding van de Franse en de Nederlandstalige plantenliefhebbers geprikkeld , vandaar de naam Nombril de Vénus en Navelkruid. De Britten die ook in Bretagne volop aanwezig zijn, blijken wat de naam van dit plantje betreft, veel materialistischer aangelegd. Zij noemen het gewoon Penny leaf.

Het blad werd en word vooral in het voorjaar gegeten. Fris in de sla of zo uit het vuistje is zijn licht zure en vettige smaak best te waarderen. Geneeskrachtig is het mogelijk een goede vervanger van andere vettige familieleden zoals Aloë of Huislook. Dus vooral uitwendig te gebruiken: ruwe huid,  schaafwonden, eelt, zonnebrand en dergelijke. Verzachtend en verkoelend.



Noms communs :
Nombril-de-vénus, cotylet, cymballion, cotylédon, gobelet, coucoumelle, oreille-d'abbé, ombilic des rochers
.

Nom latin: Umbilicus rupestris (umbilicus pendulinus).
De la famille: Famille des crassulacées (crassulaceae).
Nom anglais : Penny leaf, penny wort, penny pies.

Nombril-de-Vénus propriétés thérapeutiques et médicinales :
De nos jours, le nombril-de-vénus est surtout employée en usage externe. Les feuilles de cette plante à laquelle il faut enlever l'épiderme sont posées sur les plaies pour les aider à cicatriser. Elles calment de façon agréable et efficace la douleur des brulures.

On a préconisé la plante comme émollient et résolutif sur les tumeurs, les callosités des talons et, dit-on, contre le phimosis (affection douloureuse du prépuce qui, lors de l'érection, ne peut se rétracter derrière le gland du pénis), ulcères, hémorroïdes.

Navelkruid in de oude eik in onze tuin
Principaux constituants :
Les feuilles renferment beaucoup d'eau, du mucilage, des acides organiques, des vitamines et des sels minéraux et de triméthylamine.

Nombril-de-Vénus utilisation traditionnelles vertus :
Le nombril de vénus a eu une grande réputation comme diurétique et pour dissoudre les calculs de la vessie. Au tout début du XX siècle, certains médecins anglais en faisaient grand cas contre l'épilepsie.

Origine :
Le nombril de vénus est une plante grasse, vivace de 10 à 40 cm de hauteur, commune sur les vieux murs et les rochers des terrains siliceux dans le Midi, le Centre et l'Ouest. On la rencontre en Europe occidentale et méridionale, en Asie occidentale et en Afrique du nord.
Ses feuilles épaisses, de forme arrondie, sont nettement déprimées au centre, là où s'attache le pétiole. Glabres, d'un vert vif, facilement cassantes, elles sont recouvertes d'une très fine pellicule.
La tige dressée porte quelques feuilles allongées, rétrécies en pétiole à la base.
Elle se termine par une longue grappe dressée de petites fleurs d'un blanc jaunâtre, à corolle en tube et les fruits verts mûrissent au cours de l'été.

Nombril-de-Vénus utiliser pour les bienfaits sur la santé :
Les plaies, les brulures, les tumeurs, les callosités des talons, le phimosis, ulcères, hémorroïdes.
C'est la plante du randonneur! Pour soulager une ampoule, une inflammation, il suffit de détacher la fine pellicule qui recouvre la feuille puis d'appliquer la feuille sur la zone à soulager (sans percer l'ampoule!). De plus quel régal crues lors de longues randonnées, gorgées d'eau les feuilles sont très rafraîchissantes. C'est une plante qui soulage agréablement et efficacement les petites brûlures et aide les plaies à cicatriser. Elle est efficace sur les callosités des talons (tout pour avoir de jolis pieds cet été). Riche en eau, en mucilages, en fer, en sels minéraux, en vitamines C, en triméthylamine et en tanin, elle est indiquée dans le traitement des furoncles, des plaies, des hémorroïdes ainsi que des ulcères. Dans la plupart des cas, l’on se sert de ses feuilles pour frictionner les parties douloureuses. Sur les plaies, elles s’avèrent particulièrement efficaces pour accélérer la cicatrisation.

A manger:
Les feuilles charnues du nombril de vénus sont excellentes à manger crues ou en salade, tendre, juteuse, et leur saveur acidulée est agréable.

vrijdag, maart 09, 2018

Speenkruid, haneklootjes, getreideregen

Begin Maart kun je ze zeker al bewonderen, de eerste gele speenkruidbloempjes van het nieuwe jaar. Voor mij, het kruid van het vroege voorjaar, deze Ficaria verna. In het verleden werd het plantje nog al eens vergeleken met de Stinkende gouwe, zo noemde Dodoens het Kleine gouwe, een oude Franse benaming is Petite chelidoine en een Engelse naam is Lesser-celandine. Niet verwonderlijk die vergelijking want het zijn allebei planten die, zo vroeg al, mooi fris groen zijn en geel bloeien. Al lijken ze verder helemaal niet op mekaar.

In 1644 schreef Dodoens reeds dat de wortelkens met aanhangende greynkens van het Speencruydt te ghebruycken zijn om de speenen te genesen: want de speenen oft anbeyen met het sap van dit cruydt met wijn oft pisse van den krancken (ja, je leest het goed) ghemengelt zijnde, dikwijls gewassen ende ghenet, worden kleynder ende in een getrocken ende verdroogen heel. 

Mijn kommentaar: een kruid laten trekken in urine van de persoon in kwestie vind ik een boeiende gedachte. En met die 'kruidenthee' als kompres kun je dan je aambeien oftewel het speen behandelen. Een andere oude interessante naam voor het Speenkruid is Haneklootjes, de mensen zagen in de langwerpige verdikte wortels een gelijkenis met de teelballen van een haan. Dat lijkt mij beter getypeerd dan de overeenkomst met aambeien. Volgens de signatuurleer (het uiterlijk van een plant geeft aan voor welke ziekte het kruid gebruikt kan worden) zou speenkruid dus niet alleen goed moeten zijn tegen aambeien maar ook tegen teelbalkwalen of, met enige fantasie, tegen te zwak zaad. Oude kruidenboeken lezen, prikkelt misschien niet direct het lichaam maar in elk geval de geest.

De jonge onder verdord blad te voorschijn komende scheuten van speenkruid zijn nu ook goed te eten. Fijn gesnipperd in de witloofsla bijvoorbeeld. De knolletjes zijn het medicinaal gedeelte van de plant, ze werden traditioneel vooral in melk getrokken om zowel in- als uitwendig tegen aambeien te gebruiken.

In 'Het leven der planten' een boek uit 1902 verklaart Kerner von Marilaun de legende van de ‘aardappelregen’ als volgt. Als de planten afgestorven zijn, liggen de okselknolletjes van speenkruid, die wel wat op hele kleine aardappeltjes lijken, verstrooid op de aarde en onder het vergeelde loof vallen ze nauwelijks op. Maar als er een onweer opsteekt met zware regenval, worden de knolletjes verder los- en schoongespoeld en door het water meegenomen, totdat ze in een rustiger omgeving zich langs de randen van de plassen afzetten. Dat kan in zulke grote hoeveelheden gebeuren, dat je er handenvol tegelijk van kan opscheppen: schoongewassen en klaar voor consumptie. De boeren, die de knolletjes onder het blad niet hadden opgemerkt, maar het onweer wel, dachten, dat de knolletjes uit de hemel gevallen waren. Neilrung noemde dit in 1859 ‘Getreideregen’ (graanregen).

Referenties
A. Kerner von Marilaun. 1891. Pflanzenleben. 2. Geschichte der Pflanzen: 746. Bibliographisches Institut, Leipzig, Wenen.
63. A. Kerner von Marilaun. 1902. Het leven der planten 4: 190 (V. Bruinsma, vert.). Schillemans & Van Belkum, Zutphen.
A. Neilreich. 1859. Flora von Nieder-Oesterreich: 685–686. Gerold’s Sohn, Wenen.