zaterdag, april 23, 2016

Snuffelend wandelen op de Pointe de PenHir


We zijn op een van de vele eindpuntjes van Bretagne, pointe de PenHir. Ruige rotskust in de Finistère. We genieten van wolken, wind, water en de weggedoken plantjes tussen de rotsen. Struik- en dopheide is hier heel gewoon, geel bloeiende gaspeldoorn geeft wat kleur aan het grauwe maar geweldige landschap. 

Kartelblad
Lepelblad
Het is nog vroeg om veel bloeiende planten te vinden toch zien we al vlug een kartelblad in volle bloei, waarschijnlijk het heidekartelblad, Pedicularis sylvatica. Vroeger werd het ook wel luizenkruid genoemd. Het plantje parasiteert hier op de struikheide, het is ook licht giftig. Dus niet direct een herboristenplant, toch spreken zowel parasiterende als giftige planten mij bijzonder aan.

Verder snuffelend, de herboristen zijn na hun dutje in de motorhome blijkbaar snel weer wakker geworden, ontdekken we ook wat wondklaver en massaal veel blauw bloeiende bolgewasjes, mogelijk Chionodoxa of te wel sneeuwroem.
En helemaal aan het eind van de wereld, hoog op de rotsen met de schuimende zee diep onder ons, vinden we de echte zeeplanten: strandbiet en zeevenkel. Het blad van deze planten is nu, jong, nog goed te eten vooraleer het bijna leerachtig taai wordt.

Verder dwalend zien we lager gelegen, een groep wit bloeiende planten, gelukkig kunnen we tussen de rotsen toch beneden geraken en ontdekken zo het mythische lepelblad. De vele smaken van een beknabbeld blaadje overweldigen mondholte en gehemelte. Mosterdolieglucosiden is de onvriendelijke naam van de aanwezige smaakstoffen. Het is ooit de plant geweest die zeevaarders beschermden tegen de gevreesde en dodelijke scorbuut oftewel scheurbuik.

Bij het lepelblad en in de luwte van de rotsen kunnen we zelfs even zonnebaden en dan weer naar de motorhome en naar Camaret sur Mer mosselen en een plaatselijk visje verorberen.

Over Cochlearia / Lepelblad
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/54865-lepelblad-en-scheurbuik.html

Over Pedicularis / Kartelblad
Du latin pediculus, pou : le foin des Pédiculaires passait pour donner des poux aux bestiaux (Coste)
Latin, sous-entendu, herba, Herbe-aux-poux ; de pedicularis, pou : on employait une décoction de ces plantes contre les poux du bétail (Fournier)

In de Flora Batava lees ik: Het is zeer nadeelig voor het vee, en zal buiten schapen en geiten niet ligt door enig ander vee, dan hetgeen uitgehongerd is, worden aangeraakt. Gunner had in Noorwegen op een land, waar deze plant veel groeide, bestendig waargenomen, dat runderen, die hierop voor het eerst gebragt werden, dunnen afgang, en schapen waterzucht kregen, maar die aan het land gewoon waren, hadden hiervan geen letsel. De plant is dus schadelijk op de graslanden, en is een zeker kenteeken van veen- of moerasgrond. In onze tijd zullen we dit zeldzame plantje echt niet meer vinden in vochtige weilanden. De koeien kunnen gerust zijn. http://www.leeswerk.nl/florabatava/06/met_tekst/0417.htm

Over Pointe de PenHir
Au sud-ouest du bourg, la Pointe de Pen-Hir est un des sites naturels les plus grandioses de Bretagne. Elle est en particulier connue pour ses fameux Tas de Pois, six îlots rocheux qui prolongent la pointe et qui portent les noms de de Grand Dahouët, Petit Dahouët, Penn-Glaz (« la tête verte »), Ar Forc’h (« la fourche »), Chelott et Bern Id (« le tas de céréales »). Par beau temps le panorama est grandiose et porte sur les tous proches Cap de la Chèvre et Pointe de Dinan, mais aussi sur le Cap Sizun, la pointe du Van, la Pointe du Raz et l’île de Sein vers le sud, la pointe Saint-Mathieu, Ouessant ou Molène vers le nord.
La partie ouest de la pointe est le royaume du minéral avec d’impressionnantes falaises rocheuses cisaillées par l’érosion, dominant la mer d’Iroise à 70 mètres de haut. Une gigantesque croix domine la mer : il s’agit de la croix de Pen-Hir, le Monument aux Bretons de la France Libre, inaugurée dans les années 1960 par le Général De Gaulle, classée monument historique en 1996. Ce monument est un hommage aux Bretons qui ont rejoint la France Libre à Londres après l’appel du 18 juin 1940 du Général De Gaulle. La partie est de la pointe, protégée des assauts de l’océan, offre des paysages plus doux de falaises couvertes de landes descendant vers la magnifique anse de Pen-Hir et la non moins magnifique Plage de Veryac’h. Un sentier côtier permet de suivre les falaises jusqu’au village de Kerloch, à la limite entre Camaret-sur-Mer et Crozon.
http://www.terresceltes.net/bretagne/camaret-et-la-pointe-de-pen-hir

vrijdag, april 22, 2016

Kruidenstage, braambladeren en Mellie Uyldert

Tijdens onze vroege, lentekruidenstage kunnen we met de ogen en de mond genieten van het verse, jonge blad van beuk en braam. Braambladeren zijn bijzonder geschikt om te drogen en van de jonge scheuten kunnen we een glycerinemaceraat maken.  


mare des fées huelgoat
Waar bramen groeien, daar is een plaats van kracht, schrijft Mellie Uyldert. De braamstruik (Rubus fructicosus) behoort bij de mens op aarde. Het menselijke blijkt uit de vijftallige bloemen, zoals die van de wilde roos, de appel en andere familieleden: vijf is het getal van de mens. De vijfpuntige ster die naar boven wijst, is het teken van de opstrevende mens, die in de vijfhoek past, wanneer hij met de armen schuin omhoog en wijdbeens staat. In oude inwijdingsgrotten vindt men een vijfhoek in de rotswand uitgehouwen, waarin de mens bij zijn inwijding moest gaan staan. De mens heeft ook twee maal vijf tenen en twee maal vijf vingers, waarmee hij de aarde grijpt en de ruimte. Vijf is het getal van de wil. Een vijftallig samengesteld blad is als een hand: de macht van de mens over de stof.

Elke zomer maakt de braamstruik nieuwe lange loten, die letterlijk om zich heen grijpen. Vindt een jonge loot een hoog aangrijpingspunt in heg of boom, dan groeit zij opwaarts, maar raakt zij de aarde, dan ontwikkelt zij op die plek wortels, die in de aardbodem dringen en zo een nieuwe plant doen ontstaan. Zo stemt de braamstruik met die mens overeen, die zowel in het geestelijke als in het aardse leven actief is. Van die jonge loten kan men thee trekken tegen huiduitslag. Van de verse loten, bladen en bloemen trekt men met kokend water een goed spoel- en gorgelwater voor gevallen van keel- en mondpijn, amandelontsteking, gezwollen tandvlees en aften.
De vuurkracht doodt ziektekiemen en het looizuur trekt slijmvliezen en tandvlees samen. (Mars en Saturnus). En nog eens Mellie Uyldert 'Dit looizuur verbindt de denkpool en de levenspool van de min of meer gespleten mens en maakt hem weer uit één stuk! Het versterkt de zenuwen, o.a. die van de spijsvertering, het droogt het al te waterige (lymfatische) op, en daarom in de braambladthee ook goed tegen diarree, witte vloed en slijmhoest. Braamblad (looistoffen) maakt alles wat te los zit in het lichaam, weer vast.

Het verse braamblad kan men met de witte onderkant op huiduitslag leggen om 'het kwaad' er uit te trekken. En natuurlijk zijn er later de vruchten, dus de bramen, rijk aan vitaminen en mineralen echt wild voedsel.  Mellie Uyldert 'Het sap versterkt de vaatwanden. Zo kan de mens de krachten van de braam overnemen om zichzelf en anderen te versterken. Maar luister ook naar haar ritselend verhaal van oude tijden die gaan terugkomen, van braamhagen of heilige plaatsen van kracht. Ga over het veld en luister. Die Bromheeren rasseln im Winde'.

Mellie Uyldert wist nog niks van anthocyanen en anti-oxydanten, maar ze wist dus wel dat braamsap én begeestering goed is voor hart, bloedvaten en voor nog veel meer.

https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/rubus-fructicosus-braam
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/biografie/42216-mellie-uyldert-en-de-taal-der-kruiden.html

dinsdag, april 19, 2016

Even vorst nu en 25 jaar geleden

De volgende tekst schreef ik op 22 april 1991 in mijn dagboek van de kruidentuin  

Late en strenge nachtvorst! Al dat nieuwe groen krijgt het hard te verduren. Mijn Russische rabarber (Rheum raponticum) met zijn mooie grote blad is serieus slap gaan hangen, verschillende bladeren zijn bevroren; gelukkig zijn de dikke bloemknoppen niet beschadigd. Deze medicinale rabarbersoort kan duidelijk minder goed tegen de koude dan zijn verwanten uit de groentetuin.
Ook het nieuwe blad van de citroenmelisse is tot mijn eigen verbazing volledig bevroren.
Wat me niet verbaast is het bovengronds bevriezen van de zilverkaars (Cimicifuga), een Noord-Amerikaanse vaste plant die als sierplant en als homeopathisch middel naar Europa is gekomen. Gelukkig zijn er ook enkele Cimicifuga's niet bevroren.
De aartsengelwortel (Angelica archange!ica) stond al stevig in bloei, de bloemen hangen nu onderste boven, die gaan nog raar kronkelen de volgende dagen.

Angstig verder lopend zie ik de volgende slachtoffers. De jonge scheuten van het leverkruid en van de karmozijnbes.  Gelukkig zijn er méér planten die de vorst volledig overleefd hebben! Opvallend is de stinkende Gouwe (Chelidonium majus), al volledig uitgegroeid en bloeiend is hij met zijn oranje-gele melksap, een soort antivries, blijkbaar goed bestand tegen de vorst.
Hetzelfde principe hanteren de wolfsmelksoorten, die de laatste jaren als sierplant populair geworden zijn. De kruisbladige wolfsmelk (Euphorbia lathyrus L.) zou mollen uit de tuin houden, echter met wisselend succes, zelf gebruik ik hem meer als sierplant.

De klassieke heesterachtige kruiden zoals tijm, salie en lavendel zijn nog niet echt aan de groei, hebben dus nog geen tere jonge blaadjes die kunnen bevriezen. De afgeharde blaadjes van vorig jaar staan er wat vuil maar stevig bij.
Echte struiken in mijn haag, zoals de haagbeuk komen dikwijls laat en zeer wisselend in blad. De snelste blaadjes zijn nu dus bevroren, hun fris lentegroen is herfstig bruin geworden. Voor een keer zullen de laatste bladvormende beuken de eersten zijn.

Vandaag 19 april 2016 zowat 25 jaar later zie ik opnieuw slaphangende, licht bevroren planten, nu in onze Bretoense tuin.

 Het is mooi zonnig weer overdag, maar wit glinsterend gras in de ochtend . Onze  zwartmoeskervel, verwilderde scheuten van aardappelen en filigraine venkelbladeren laten hun kopjes hangen. Alleen de witte bloesem van de pruimenboom doet alsof er niks aan de hand is. Vrolijk verder bloeien. Is er veel veranderd in 25 jaar?


dinsdag, april 12, 2016

Dotter in de tuin

Dotter in de tuin
Na de massale bloei van het speenkruid nemen de gele Dotters in de natuur en in onze Bretoense tuin de rol van het speenkruid over! De merkwaardige naam Dotter en Dodder en Dooier zijn waarschijnlijk van één woordstam afgeleid. De dooiergele kleur zou de dotterbloem aan zijn naam geholpen hebben.  Of zou het dotteren op het water er iets mee te maken hebben? Als stuifmeel- en honingproducent doet de Dotter voor de juist in bloei gekomen waterwilgen niet onder.
Hele slootranden waren vroeger met Dotters bezet. Breekt de zomer aan, dan staan op de oude bloemstelen telkens een tiental droge, dooraderde kokervruchten met spitse, gekrulde neuzen. De toch al forse bladeren groeien door tot het formaat van ontbijtbordjes. Zij imiteren boven het water uitgetilde waterleliebladeren en rollen zich in.

Zelden medicinaal in gebruik,

maar wellicht vroeger door de boer als boterkleurmiddel gebruikt.  De Latijnse naam Caltha is afgeleid van het Griekse 'kalathos' wat korfje of schaaltje betekent, naar de vorm van de bloem. Dat de naam Grote boterbloem ook nog gebruikt word, zal ons niet verbazen. Niet alleen hebben ze beide dezelfde  glimmende gele kleur, maar ook hun vochtig biotoop in de natte weilanden is hetzelfde. Omdat de hoofdbloei rond Pinksteren en Pasen valt, vinden we ook nog wel de namen pinkster- en paasbloem terug. Oude, niet meer gebruikte namen zoals Smeerbloem en Smeerblad verwijst niet naar zijn medicinale werking maar wel naar zijn glimmend vettig uiterlijk, alsof zij met vet, boter of smeer ingewreven zijn.

Caltha vroeger en nu

Caltha vinden we in de alleroudste Romeinse kruidenboeken wel terug, alleen werd daar zeer waarschijnlijk de goudsbloem mee bedoeld. Ook bij Matthiolus 1563 werd de goudsbloem Caltha genoemd. Dodonaeus spreekt ook van Watergoutbloemen en zegt dat 'Die en zijn in der medecijnen niet bruyckelijck'. Al kwam ze nog later in de apothekersboeken wel voor als 'Herba en Flores Calthae palustris' en werd ze, volgens de signatuurleer gebruikt bij geelzucht. Behalve bloemen werden ook de zaden in wijn getrokken voor de lever gebruikt. In de Flora Batava uit 1800 vinden we wel wat 'huishoudelijke toepassingen' van de Dotterbloem. De Bloembotten (knoppen) kunnen als Kappers ingelegd en gebruikt worden. (Ehrhart) Deeze Plant in de Weilanden is als een schadelijk onkruid voor het Vee te houden, volgens Haller, Ehrhart en Brugmans. De jonge uitspruitels alleen zijn minder schadelijk, en in zo verre kon deeze Plant als onschadelijk voor Geiten, Schaapen en zelfs Runderen, door Gmelin worden opgegeven. Doch hoe grooter en sterker de Plant wordt, hoe meer zij eene vergiftige hoedanigheid verkrijgt. 

De Bloemen geeven eene geele verf, en derzelver sap met aluin gekookt, geele Inkt. (Reuss) Volgens Tournefort verfen de Bladeren het blauw papier ligt rood. Indien men dezelve brandt wanneer zij gedroogd zijn, smelten zij even als het Salpeter.
De Bloemen ook zeer goed voor de Byen.  Ook nu nog worden de bloemknoppen ingemaakt of gekookt als voedsel geadviseerd, toch is wegens de mogelijke giftigheid zeker de rauwe plant niet aan te raden, het is niet voor niks een ranonkelachtige (boterbloemen, speenkruid) die allemaal giftige alkaloïden kunnen bevatten. Ook triterpeensaponinen zijn aanwezig, al zouden die mogelijk wel een adaptogene werking kunnen bezitten. In elk geval zou ik zonder enige voorkennis niet experimenteren met de dotter als voedsel of als medicijn.

Voor verdere studie

  • Caltha palustris - Plants For A Future database report
  • Triterpenoid Saponins from Caltha palustris.P Bhandari, A I Gray, R P Rastogi.  Planta Medica (1987)Volume: 53, Issue: 1, Pages: 98-100
  • Caltha palustris L. Seed Oil. A source of four fatty acids withcis-5-unsaturation.Smith CR Jr, Kleiman R, Wolff IA.Lipids. 1968 Jan;3(1):37-42.
  • [Magnoflorine in Caltha palustris L.]NIJLAND MM.Pharm Weekbl. 1963 Apr 12;98:261-3.
  • A critical study on the oncostatic factor present in Caltha palustris.SOKOLOFF B ea. Growth. 1962 Mar;26:71-5.
  • Kleyn. Planten en hun naam.





woensdag, april 06, 2016

Lente, nog even niet en toch....

En wij die dachten en vreesden dat de lente dit jaar in januari zou beginnen. Nu is het april en nog steeds fris hier in Bretagne. Al dagen even zon en dan driftige regenvlagen er over heen. Het gevecht tussen winter en lente volop aan de gang. Natuurlijk laten plantaardige katjes en andere geel bloeienden, zoals hoefblad en speenkruid zich niet zomaar afremmen maar toch......van de opwarming van onze aarde is even geen sprake.

Vandaag zag ik ook de eerste witbloeiende hoornbloemen tussen het bermgras doorpiepen. Akkerhoornbloem, Cerastium arvense L., hoort tot de Anjerfamilie. De naam Hoornbloem heeft deze groep van witbloemige plantensoorten te danken aan de vorm van de doosvrucht. Die is enigszins gekromd en lijkt daardoor wel wat op een gekromde koeienhoorn (hoorn is in het Grieks keras, wat in het Latijn ceras wordt, hetgeen terug te vinden is in de wetenschappelijke naam Cerastium).

De Hoornbloemen onderscheiden zich van de Muursoorten, ook een geslacht uit de Anjerfamilie, met twee gemakkelijke kenmerken: de kroonbladen van Hoornbloemen zijn nooit meer dan tot de helft ingesneden, terwijl die bij de Muursoorten meer dan de helft zijn ingesneden. Verder hebben de Hoornbloemen vijf stijlen en de Muren drie. Hoornbloemen zijn meestal ook behaard.

Akkerhoornbloem heeft kroonbladen die twee maal zo lang zijn als de kelken. Het is de Hoornbloem met de grootste bloemen uit het geslacht. Het typische gevorkte bijscherm, de bloeiwijze van de Anjerfamilie, is aan de Akkerhoornbloem goed te herkennen.
De plant is nauwelijks tot weinig behaard of met afstaande haren behaard, maar zeker niet witviltig. Het is vrijwel de eerste bloeiende soort op droge zandige graslanden en wordt veel bezocht door insecten, met name vliesvleugeligen en vliegen.
De soort is overblijvend en het is opmerkelijk dat ze niet voorkomt op akkers, terwijl de Nederlandse naam dat wel suggereert. Wel vind je haar op rivierduinen, in wegbermen, langs spoorwegen en kanalen.

Een bekende geneeskrachtige plant is het zeker niet, toch vind ik bij Moerman Native American Ethnobotany dat de plant samentrekkend werkt. A decoction of the plant has been used in the treatment of injuries and miscarriage. A decoction is said to stop uterine bleeding and prevents the child from passing through the uterus.
En in de Flora Batava geschreven tussen 1800 en 1934 wordt vermeld dat 'Uit de Bloemen trekken de Byën goeden Honig en Wasch (Mattuschka, Reuss). De Plant wordt niet gegeten door het Vee, inzonderheid niet, volgens myne ondervinding, door Schapen, schoon zy gebrek aan voeder hebben. Aan den Wortel zou het Poolsch grein(*) te vinden zyn.

En dat Poolsch of scharlaken grein, trekt me wel aan en moeten we eens verder onderzoeken. Het is een soort schildluis (Porphyrophora polonica). De larve leeft op de wortels van een 20-tal planten, maar vooral op de overblijvende hardbloem (Scleranthus perennis), en werd vroeger , in o.a. Polen en Rusland, gebruikt als grondstof voor karmijnrood. Het was een goedkoper alternatief voor de op de kermeseik (Quercus coccifera) levende schildluis (Kermes ilicis of Kermes vermilio), uit het Middellandse Zeegebied, die scharlakenrood geeft. Het gebruik ervan ging verloren door de popularisering van de Mexicaanse cochenilleluis ( Dactylopius coccus) als grondstof voor de kleurstof karmijn- of karmozijnrood.

zaterdag, april 02, 2016

Onze alruin

Onze alruin is flink aan de groei. In de schaduw van een oude laurierboom en dan nog in een grote ingegraven plastieken pot blijkt dit plantaardig mensje toch zijn mannetje of vrouwtje te staan. In die pot is de plant terecht gekomen omdat we hem ooit naar een betere, definitieve plek wouden overbrengen. En dat is nu het moment. Maar... een Mandragora overplanten, de verschrikkelijke verhalen indachtig, dat doe je zo maar niet. Dus eerst nog eens de oude instructies bestuderen. 

Mandragora officinarum, het mannetje, het pisdiefje is ongetwijfeld de beroemdste onder de magische planten. De geslachtsnaam is mogelijk afgeleid van het Griekse woord mandra, wat 'stal’, 'kudde' of 'vee' betekent. Het verwijst naar het feit dat de alruin giftig is voor dieren, maar ook voor mensen.
Alruin vindt zijn oorsprong in het huidige Palestina. Hij was reeds bekend in het oude Egypte. De artsen uit Alexandrië lieten de wortel in wijn trekken en gebruikten dat brouwsel als een narcoticum. Bij de Grieken had deze plant een grote faam als liefdesdrank en werd gebruikt tijdens vruchtbaarheidsrituelen. Ook in de Bijbel wordt de Mandragora vermeldt om onvruchtbaarheid te genezen.

De kracht van deze plant zit in zijn vreemde wortel, die meestal gedraaid en gespleten is en daardoor, met enige fantasie op een mens lijkt. Vanwege die vorm noemde de Griekse wijsgeer Pythagoras (600 v. C.) haar 'anthropomorphos', op een mens gelijkend. Een vroegchristelijk verhaal beschrijft de alruin als een voorstudie voor de mens. Een afgekeurd probeersel voor de echte mens.

Oogsten van alruin.Er zijn vele griezelige berichten over het uitgraven van de plant. Antieke berichten weliswaar. Het uittrekken moest gebeuren op een maanloze nacht. Men zei dat elke aanraking tot de dood leidt en daarom moest de wortel door een hond worden uitgetrokken. Bij het uitrukken stoot de plant een door merg en been dringende gil uit, een afschuwelijke kreet, waarvan je krankzinnig wordt of ter plekke sterft. In de Griekse 'Dierengeschiedenis' van Claudius Aeliaus verschijnt de plant onder de naam 'knospatos', de door de hond uitgetrokkene.

Een hond heb ik niet bij de hand, al zou ik de keffertjes van de buurman kunnen gebruiken. En een maanloze nacht, nieuwe maan veronderstel ik, ook daar moet ik nog even op wachten.

https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/mandragora
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/40299-alruin-verhalen-over-het-pisdiefje.html
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/70128-alruin-een-vreemde-geschiedenis.html

dinsdag, maart 22, 2016

Klein hoefblad in de oude groeve

 De bloemen van klein hoefblad zijn er zoals steeds vroeg bij. Massaal vind ik ze vandaag in een verlaten steengroeve in de Molignéevallei. Omgewoelde, kale, braakliggende terreinen, daar voelt deze woekeraar zich het best thuis. Het blad, dat pas na de bloei aan de plant komt, werd tot voor kort veel in hoest- en luchtwegmiddeltjes gebruikt maar omdat er ook gevaarlijke pyrrolizidine-alkaloïden in ontdekt werden, is het in diskrediet geraakt. Niet dat je er op korte termijn dood van gaat, maar wel omdat die alkaloïden bij lang gebruik levercellen kunnen beschadigen. Thee van trekken kan nog steeds zonder problemen, alleen liefst geen weken aan een stuk.

Klein hoefblad etymologie
De naam  ‘tussilago’ komt van ‘tussis’ hoesten en ‘agere’ verdrijven, naar zijn hoestdempende werking en dus zou het kunnen dat de Nederlandse naam oorspronkelijk ‘hoestblad’ geweest is. Ook de Grieken noemden haar ‘becchion’ van besso (hoesten). Zowel bij Plinius als bij Dioscorides vinden we de plant als hoestblad terug, met de nodige ingewikkelde en soms sympathieke recepturen, zoals het opzuigen van smeulende bladeren door een pijpje.

Uiteindelijk heeft de naam Hoefblad het gewonnen. In de Codex Bonnensis (11de eeuw) wordt het ‘Rossehuf’ (hoef van een ros), Bock in zijn ‘Neu Kreuterbuch’ zegt Rosshuf en Fuchsius (1543) spreekt zelfs over Peertsclauwe, tenminste in de Nederlanse vertaling. Hoe dan ook de officiële Nederlandse en Latijnse naam is nu Klein hoefblad – Tussilago farfara en dat kan alleen nog veranderen mits toestemming van een officiële taalcommissie. Ja, ook daar hebben wij officiële instanties voor.

Nog wat andere namen
Tussilago farfara L., Tussilage, pas d'âne (Frankrijk), Coltsfoot (GB), Gemeiner Huflattich (Duitsland)
Andere Engelse namen voor Klein hoefblad: assfoot, Butterbur, Butter dock, Coughwort, coltsfoot (veulenvoet), horsefoot, foalfoot, bull'sfoot, horsehoof, colt-herb, clayweed, cleats, dove-dock,
Andere Franse namen voor Klein hoefblad: chou de vigne, herbe de Saint-Quirin, herbe aux pattes, pas de cheval, pied de cheval, racine de peste, taconnet.


22 maart terreurdag

22 maart. Een terreurdag voor Brussel en Belgie. Vreemd, verschrikkelijk. Ik zeg mijn herboristenles in Antwerpen  af, en rij wat doelloos rond in Hastière en omgeving. Bezoek als troost de plantenkwekerij Ortie-culture in Biesmerée. Nog geen overdaad van planten aanwezig, toch koop ik wat sterk geurende, vreemde troostkruiden. Een doorlevend Afrikaantje, Tagete limoné, twee Griekse oregano's, doorlevend bonenkruid met citroengeur, en een klimmende groente Basella.....

Een gesprekje, een mooie vallei met geschiedenis en dan weer verder dwalen... naar de Molignéevallei. Een kort bezoek aan een verlaten steengroeve met bloeiend klein hoefblad. Heel gewoon, geel bloeiend en woekerend in schoonheid. De natuur gaat, ondanks alles, verder zijn gang.


zaterdag, maart 12, 2016

Witte dovenetel

Tijdens onze herinnerwandeling bij Weelde Statie vonden we ook een eerste bloeiende witte dovenetel. Niks bijzonder zou ik zeggen of zouden juist 'niks bijzondere' dingen de moeite waard zijn? Deze gewone Lamium album stond in het begin van mijn 'carrière' als herborist hoog genoteerd op mijn lijst van waardevolle planten. Het waren de witte lipbloemetjes die gebruikt werden en in de oude kruidenboeken geadviseerd werden tegen witte vloed en dus stond hij in mijn cursusboek bij de vrouwenkruiden. Ondertussen is de plant uit mijn cursusboek verdwenen en vervangen door betere, hormonaal werkende planten met deftige namen zoals Vitex agnus castus en Cimicifuga racemosa, maar nu vind ik het tijd om weer meer aandacht te besteden aan gewone planten van bij ons. Terug naar de roots.

Witte dovenetel vroeger
Het aftreksel van de witte dovenetel werd, overeenkomstig zijn signatuur, gebruikt tegen de witte vloed. Volgens de oude natuurgeneeswijze helpt de thee jonge meisjes van zestien en zeventien jaar. Het kruid bevat inderdaad meer dan tien procent looistoffen, waardoor het samentrekkend werkt. Uitwendig werden de gekookte bladeren op gezwellen en andere huidkwalen gelegd. Ons aller Dodoens schrijft in 1554 'Dove netelen die met zout gestampt zijn genezen en verteren en scheiden alle gezwellen, kroppen en klieren als het daarop gelegd wordt en zijn van krachten en werking de netelen zeer gelijk'. Een dampbad, gemaakt met de bladeren en kokend water, kon gebruikt worden bij oorpijn.

Ook de paarse dovenetel werd gebruikt. Een zalf, van de bloemen, hielp uitwendig bij brandwonden, koudvuur (het afsterven van weefsels) en zweren, gelijk de witte dovenetel. Indien de paarse dovenetel samen met boter wordt gebakken, ontstaat er een zalfje dat gebruikt kan worden bij kliergezwellen en aambeien. Tegen aambeien kende men trouwens ook nog een ander middel met dit kruid. Men moest dan eerst een prop kneden, waarbij het sap erg belangrijk is. Men waste dan de aambeien met deze prop. Hierna werd een blad van de 'klis' (Arctium) geplukt en tegen de aambeien gehouden, waardoor de pijn en de jeuk zouden verdwijnen.

Het zijn merkwaardige  volkse toepassingen die nu in de moderne fytotherapie niet meer gebruikt worden, maar uitzoeken of deze oude middeltjes werkzaam zijn lijkt mij wel nuttig.

De dovenetels waren (zijn) ideale kinderplanten, want behalve dat de kinderen de honing uit de bloemen kunnen zuigen,  zijn er ook molentjes mee te maken. Hoe? De stengel wordt op twee punten afgebroken, zodanig dat er op elk eind zich een krans van blad en bloem bevindt. In het midden van dit stukje vierkante stengel wordt een speld geprikt. Nu wordt deze speld aan beide kanten vastgehouden en kun je door er tegenaan te blazen het molentje laten draaien.

De vele namen van dovenetel
Dovenetel werd ook 'dannetel', 'dauwnetel' en 'dampnetel' genoemd . In België vinden we namen zoals 'melktingel', 'melknittel' en 'melknetel' voor de witte dovenetel en 'rode melknetel' voor de paarse soort.  Ook de naam 'zachte zengel' kwam voor. Zengel afkomstig van zengen (branden).
Behalve de vergelijking met brandnetel bestaan er nog namen, waarbij de honing uit de bloem een belangrijke rol speelt. Rond 1300 noemde Jan Yperman het 'honichbloem' voor de witte soort. Bijnamen voor de witte dovenetel waren 'suikertjes', 'suikernetel', 'zuugbloem' voor beide soorten, 'zuigbuisjes', 'zuiglammetjes'.
De honing wordt nog steeds door kinderen uit de bloemen gezogen, als de bijen hen niet voor zijn geweest. Hiermee in verband, zijn de Belgische bijnamen 'mammeluiters', 'mammeluiten', 'memmen-kruid' en 'memmekens'. Deze naamgeving heeft te maken met borsten of 'mammae'. Zuigbloemen is dus wel zeer toepasselijk.

Behalve dat de planten gebruikt worden om er honing uit te zuigen, werden zij ook gebruikt als voedsel voor pluimvee en konijnen, zoals de bijnamen 'goudhaansvoer' en'goudhaanseten'  laten zien en 'rabbit-meat' (konijnenvlees) in Engeland. De bladeren, op zijn spinazies, zijn ook voor de mens eetbaar.

Voor verrassende wetenschappelijk onderzoeken zie https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/lamium-album-witte-dovenetel

vrijdag, februari 26, 2016

Terug in België

Genieten van terug in België. Neergestreken met motorhome in het modaine Sint Martens-Latem om les te geven aan leerling-herboristen. Mijn eerste Belgische koffie na 2 maanden, het smaakte mij wel, alleen de prijs was wel even schrikken, zo maar eventjes 3 euro 20 en de ober bloosde niet eens. Ook weer mijn eerste 'De Morgenkrant' verslonden, samen met de koffie natuurlijk, maar ook de krant was flink in prijs gestegen. Maar nu toch even genieten, ook morgen zeker genieten van het les geven, het ontmoeten van mensen, de belangstelling voor de planten. 
In de motorhome sleep ik ook planten mee, helemaal uit Bretagne. Een stevige Ruscus aculeatus reist, bij gebrek aan ander gezelschap, stekelig naast mij mee, verder hele bossen daslook en dat laat zich ruiken en als vreemd toemaatje een knoestig stuk wortel van de Japanse duizendknoop barstensvol met resveratrol. Ja, we zullen het morgen over de kruiden voor de bloedvaten hebben, dat merk je wel aan het gezelschap. 

Niet iedereen zal blij zijn dat ik de woekerende duizendknoop in België importeer, maar hij zal gefileerd worden om er een moedertinctuur mee te maken. De wortel bevat niet alleen veel resveratrol maar wordt ook volop geadviseerd tegen de ziekte van Lyme.

Resveratrol heeft medicinaal gezien meerdere positieve werkingen. Eén daarvan is dat het een heel sterk antioxidant is. Het verlengt mogelijk de levensduur van gezonde cellen en remt de groei van kankercellen. (apoptosis). Om deze redenen wordt het in de natuurgeneeskunde ook toegepast bij kanker, vooral bij borstkanker. Het gebruik van de Japanse duizendknoop bij Lyme is meer omwille van zijn werking op het immuunsysteem.

Japanese Knotweed and Lyme's Disease
Although knotweed populates many areas of the world, its most concentrated growth is in areas with a high Borrelia infestation, according to the Invasive Plant Atlas of New England. This herbal supplement is considered a mainstay remedy in Stephen Harrod Buhner's Lyme's disease protocol, notes Scott Forsgren, interviewer for the Public Health Report website. Borrelia is the microorganism that causes Lyme's disease.

Lyme's disease is often effectively treated with conventional antibiotics in its early and acute forms. But as the disease becomes chronic, it's commonly held that the microorganism hides in many areas of the body, such as the nervous system. The Borellia spirochete's metabolites are toxic to the neurological system, and supplements of Japanese knotweed herb appear to cross the blood brain barrier to act as an effective antibacterial and toxin-binding substance. The Public Health Report adds that Japanese knotweed can help with Lyme's-related arthritis symptoms
http://www.livestrong.com/article/216697-knotweed-supplements/

Uitgebreide achtergrondinfo Over Lyme en Japanse duizendknoop vindt je o.a. in het boek van S.H. Buhner, "Healing. Lyme".
Zie ook https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/fallopia-duizendknoop-japanse
Wetenschappelijk onderzoek op https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/polygonum-japanse-duizendknoop

donderdag, februari 11, 2016

Ontmoeting met een goedaardige reuzeboom


Kleine, kruidachtige plantjes hebben me altijd meer aangetrokken dan grote bomen. Als herborist keek ik tijdens wandelingen ook meer naar de grond dan naar boven en kiemplantjes van enkele centimeters groot kon ik gemakkelijker herkennen dan reuzebomen. 'Kon', schrijf ik nu wel want sinds ik in Bretagne woon, kunnen met mos bedekte mysterieuze eiken, sombere taxusbomen en machtige Sequioa's mij steeds meer bekoren. 

Tijdens het boodschappen doen in Huelgoat, kruis ik bijna elke dag de rivière d'Argent. Ik stop hier regelmatig, als was het maar even om een foto te maken of om mij onder te dompelen in de sfeer van dit mythische woud. Ook vandaag onder invloed van het waterige, tintelende zonlicht stop ik vlak bij het bruggetje, daal af naar het lokkende water en sta plots oog in oog met een indrukwekkende boom. Het is de stam en zijn afbladderende rode schors die mij als woeste wimpers zacht en vertrouwd aan staren. Inderdaad oog in oog met een Sequioa, de goedaardige reus onder de bomen en inderdaad een boom, die ik nodig heb om mijn goedaardige ouderdomsklachten te verlichten. Ik zal hem in het vervolg  in het voorbij rijden altijd groeten en hem regelmatig een bezoekje brengen.

https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/sequoiadendron-giganteum-buchh

maandag, februari 08, 2016

De toorn van de natuur


De takken van de oude populieren kunnen de zware last van maretakken nauwelijks nog dragen en als het dan weer eens op zijn Bretoens stormt, regent het maretakken op de dijk langs de woeste rivier. Mythische maretakken, hoge bomen, woeste rivier, water, wind en de kleine mens daaronder, alle natuurelementen vertellen hun huiveringwekkend verhaal. Mooi maar meedogenloos.

En ik, de onhandige druïde-herborist probeer met een mare-takje als een toverstaf de toorn van de machtige natuur te keren.

http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/84425-maretak-spiritueel-en-rationeel.html
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/28489-maretak-een-tegendraadse-plant.html

woensdag, februari 03, 2016

Luzerne, alfalfa, medicago sativa

Luzerne, rezerre werd het door mijn vader genoemd, een blauwbloeiende klaver die tussen de granen werd gezaaid als winterse grondbedekker en als voedsel voor de beesten op de boerderij. Later vond ik het terug als groen hooi dat vooral krachtvoedsel was en is voor paarden. Ook Dodonaeus was daar al van op de hoogte, hij schrijft 'deze klavers zijn ook een zeer goed voedsel voor de ossen en koeien en daarom zijn ze hier voortijds door de oude Romeinen gezaaid en veel geteeld'. Als gezondheidsfreak leerde ik het zaad kennen onder de naam alfalfa, de gekiemde zaden waren al in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw een supervoedsel.

De Latijnse naam Medicago komt mogelijk van Medea, de plaats waar het ook volgens Virgilius vandaan komt. Tijdens de Arabische overheersing kwam het in Spanje terecht en via de Spanjaarden in heel Europa. Werd dan ook Spaanse klaver genoemd. Het wordt nu ook alfalfa genoemd wat uit het Arabisch alfafakah 'beste voer' is ontstaan. Dodonaeus noemde het dan weer Italiaanse klaver maar ook 'bourgoens hooi', hij zegt 'in Bourgondiën wast deze herba medica zo overvloedig, dat ze daarom in Vrankrijck overal Foin de Bourgogne, dat is in het Latijn Foenum Burgondiacum is gheheeten'

Medicago zou trouwens ook van medicum ago, ik verjaag den dokter kunnen komen. De gehele groene plant werkt algemeen versterkend. Luzerne en alfalfa zijn een stimulans, ze werken vitaliserend, opbouwend, ze zijn een tonicum voor de hypofyse en de schildklier, ze verhogen de TRH = thyreotropine releasing hormone. Dus: gebruik luzerne en alfalfa bij vermoeidheid, lusteloosheid, zwakte, energieverlies, prestatiezwakte, geheugenzwakte, geestelijke vermoeidheid en verminderde alertheid.

Het kruid werkt remineraliserend en opbouwend. Het is versterkend op huid, haar, nagels, kraakbeen en beenderen mogelijk door de vele vitamines, mineralen, aminozuren en oestrogene stoffen die de weefselgroei stimuleren.

Ik zou het alleen kuurmatig gebruiken. Drie tot 6 weken. In de vorm van ontkiemde zaden (alfalfa) lijkt het mij de smakelijkste en meest veilige toepassing.

Indications uit Herbal Monographs Univ. Malta
  • Principal: Hypercholesterolemia; used as a source of nutrients including vitamins
  • Major: Diabetes, malfunctioning of the thyroid gland.
  • Minor: Kidney, bladder & prostate disorders; asthma; arthritis
  • Cautions: Undergoing HRT, taking birth control medications, diabetes.
  • Contraindications: History of SLE, under 18 (pregnant or breast-feeding).
  • Side-effects: Photosensitivity, mild GI symptoms (stomach discomfort, diarrhea, flatulence), hypoglycemia, muscle pain, fatigue, abnormal bood cell count.
  • Drug interactions: HRT, anti-oestrogentherapy, contraceptive pill, anticoagulants.
http://mens-en-gezondheid.infonu.nl/gezonde-voeding/89336-alfalfa-luzerne-of-medicago-sativa.html
https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/medicago-sativa-luzerne

dinsdag, februari 02, 2016

Speenkruid en proto-anemonine

Vooruit dan maar. Maar weer eens over speenkruid schrijven. We worden dit jaar door de natuur al  vroeg uit onze lichte winterslaap gehaald. Speenkruid, stengelloze sleutelbloem en longkruid steken niet alleen hun blad maar ook al hun eerste bloemen bovengronds. En dus kunnen we internetgewijs weer over de giftigheid van het bloeiende speenkruid zagen. Mogelijk’ werkt het proto-anemonine, een stofje van de boterbloemfamilie, irriterend op de ingewanden. Dat kan theoretisch diarree veroorzaken. Maar echt giftig, als bijvoorbeeld gevlekte scheerling, zijn speenkruid en bvb dotterbloemen niet. Giftigheid is zo wie zo relatief, gebonden aan de hoeveelheid die je eet en aan de persoon die het eet. Zelf eet ik al jaren, weliswaar mondjesmaat van het al bloeiende speenkruid en inderdaad de blaadjes zijn iets scherper van smaak, maar in leven ben ik nog altijd. Probeer eens de bloemknoppen te eten of nog beter als een soort kappertjes op azijn te zetten. Wel wat werk maar speenkruidknoppen zijn er genoeg.

Over proto-anemonine
En dan toch wat over het prikkelende protoanemonine. Het is het lacton van 4-hydroxy-penta-2,4-dieenzuur, zegt de chemicus. Het is een natuurlijk voorkomende giftige organische verbinding die in het melksap van planten zit die tot de ranonkelfamilie (Ranunculaceae) behoren, zoals anemonen, boterbloemen en speenkruid. De giftigste plant in de familie is de blaartrekkende boterbloem, die een gehalte van 2,5% aan protoanemonine heeft. Het is een vluchtige, gele, bitter smakende olieachtige vloeistof, die snel door binding overgaat in het onschadelijke anemonine. Bij droging ontstaat anemoonzuur.
Protoanemonine geeft bij huidcontact rode vlekken en blaren en bij inname vergiftigingsverschijnselen maar de stof heeft ook anti-fungale en antibiotische eigenschappen.

Veel over speenkruid op mijn website https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/ficaria-verna-speenkruid

donderdag, januari 28, 2016

Wat eten we vandaag

Koken doe ik elke dag, zelfs met veel plezier maar toch blijft het ook elke dag weer een opgave, een kleine uitdaging. 
Op de markt in Huelgoat  is er in de winter niet veel te beleven toch waren er vandaag enkele, moedige tuinmensen met bijzondere groenten aanwezig. Interessant zeker wel maar leefbaar?
Zo vonden we de exclusieve knolkervel en de scheuten van de zeekool. Wel prijzig maar de laatste restjes kregen we aan halve prijs.

Wilde groenten waren vroeger voor arme mensen en nu blijkbaar voor rijke mensen en die rijke mensen vind je hier in Bretagne maar mondjesmaat. Als herborist ben ik niet rijk maar wel geïnteresseerd in scheuten van zeekool en dus staat er vanmiddag, op de valreep, geblancheerde scheuten van zeekool op het menu. Aangevuld met een gekookt, gebloemd aardappeltje, wat gekookt en licht gebakken pastinaak-ringetjes en een filet van kabeljauw lijkt onze maaltijd wel wat haute cuisine. Alleen de portie zijn bij ons wat groter.

Over de zeekool. 
Oneetbaar kun je de taaie bladeren van deze Crambe wel noemen . Het blad moet in de branding aan zee nu eenmaal zout en wind trotseren en dus tegen een stootje kunnen. De grote mensentruc is dan ook dit soort planten te bleken en zeer jong te eten, de taaiheid en de bitterheid is dan verdwenen.
Er is weinig bekend over de gezondheidswaarde van de zeekool, er zijn wel mosterdolieglycosiden aanwezig en ook vitamine C. De koolsoorten hebben altijd een grote gezondheidswaarde gehad en zijn de laatste jaren steeds belangrijker geworden omwille van hun kankerwerende werking. Als ik Dodoens mag geloven dan zou de wilde zeekool nog sterker werkzaan zijn dan 'de tamme koolen'. 'Hun Cracht ende werckinghe, zijn Die wilde Zee koolen sijn den tammen ghelijck/ maer veel stercker ende meer afvagende/ ende daer om en dienen sy oock niet als spijse ghebruyckt.
Die bladeren van desen koolen ghestooten/ ghenesen ende heylen die versche wonden ende doen sceyden die gheswellen daer op gheleyt'. Dus zeker de moeite waard om dit verder te onderzoeken.

Over de knolkervel dan maar
Bij de botanici staat de plant bekend als ‘knolribzaad’ (Chaerophyllum bulbosum), dus in feite geen echte kervel.  In het wild is hij in Nederland en België zeldzaam. De knollen mogen dan al gegeten worden, de bovengrondse delen van de plant zijn licht giftig, knolribzaad is nauw verwant met de dolle kervel ( Chaerophyllum temulum ). En die naam zegt al genoeg.

De teelt van knolkervel begint langzamerhand op gang te komen. Men werkt aan verschillende kweekvormen maar de knolkervel van vandaag staat nog zeer dicht bij de wilde vorm. De knol is bijzonder zoet. Het suikergehalte is mogelijk groter dan dat van suikerbiet: 25 procent van de droge stof bestaat uit sucrose, echte suiker dus!

Om te kiemen moet het zaad door een koude, vochtige periode gaan. Daarom zaait men knolkervel in de herfst of laat men het zaad eerst een aantal weken in de koelkast. Stratificeren, noemen tuinders dat. De wortels worden in het eerste jaar geoogst in de maanden juli of augustus, maar dan zijn ze nog niet lekker. Door de knollen te stockeren bij lage temperatuur (4 graden Celsius) gaat het zetmeel zich omzetten in suiker. Als u dus knolkervel koopt kan u die probleemloos voor langere tijd koel bewaren, de groente wordt steeds smakelijker!

http://huis-en-tuin.infonu.nl/tuin/44235-zeekool-zilte-scheuten-vol-schoonheid.html

woensdag, januari 27, 2016

Meekrap

Meekrapwortel / Rubia tinctorum
Een wirwar van wortelstokken onder de grond en een wirwar van hakerige stengels boven de grond, kleine onopvallende groene bloemen.... mooi is hij niet onze beroemde verfstofplant meekrap. Zijn schoonheid is helemaal terug getrokken in zijn roodkleurige wortels en dan ook nog verstopt onder een zwart schilletje.

Zeker sinds de twaalfde eeuw was deze Rubia tinctorum in Zeeland en omgeving in cultuur, en in de zestiende eeuw werd dit het voornaamste centrum van meekrapteelt in Europa. Steden als Zierikzee, Tholen en Goes kwamen door het verwerken en verhandelen van deze plant tot bloei. Ook in Frankrijk zijn sommige streken rijk geworden door de teelt van meekrap. Toen in 1868 een synthetische bereidingswijze van de kleurstof alizarine werd ontdekt, stortte de meekrapcultuur volledig in.

Zowel bij de oude Persen als in Indië, later vooral bij de Turken, werd de meekrap al verbouwd en gebruikt. De wortel was als ‘Turks rood’ bekent. Zowel de typische hoofdbedekking ‘Fez’ als tapijten werden met meekrap gekleurd. Een van de oudst bekende voorbeelden van textiel die met meekrapwortel geverfd werd, is een riem aangetroffen in het graf van Toetankhamon (1350 voor). Ook de Griekse arts Dioskorides beschrijft de teelt oa in olijfboomgaarden. Zijn tijdgenoot Plinius vermeldt dat de cultuur van Rubia winstgevend is en in bijna alle provinciën verbouwd wordt. Niet alleen uit teksten is bekend dat de plant veel gebruikt werd. Ook archeologisch vind men nog sporen van de stabiele rode kleurstof alizarine terug. Bijvoorbeeld in Qumran aan de Dode Zee werden zowat 2000 jaar oude skeletten gevonden met opvallend rood gekleurde botten. Uit analyse bleek dat dit kwam door afzetting van alizarine. Blijkbaar hadden deze mensen meekrap op het menu staan. Ook in Arabische landen worden nu nog extracten van de wortel gedronken. Dit zou hen beschermen tegen het ‘boze oog’.

Medicinaal is het een van de beste planten tegen nierstenen, helaas is de wortel in diskrediet geraakt door mogelijke mutagene effecten van de stof lucidine. Vreemd genoeg zijn er de laatste jaren in de wortel juist stoffen ontdekt met een anti-kankerwerking. Vooral voor sommige huidkankers zijn extracten en de kleurstoffen alizarine en purpurine veel belovend. 'Our results highlight the effective and selective inhibitory activity of purpurin towards melanoma cells and its possible use as a targeted anticancer agent'. 

Zie https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/rubia-meekrap-garance
http://mens-en-samenleving.infonu.nl/sociaal/28316-meekrap-kleur-rijk-verleden-maar-ook-een-toekomst.html

zondag, januari 24, 2016

Brandnetel en andere wortels

Urtica radix / folium
 Lente zon-dag in Bretagne. We willen dit voorjaar nog verschillende wortels oogsten. Normaal doen we dat in het vroege voorjaar (februari, maart), voor dat de planten nieuw blad vormen. Nu het voorjaar blijkbaar een maand vroeger begint, hebben we toch al wat gele brandnetel- en rode meekrapwortel uit de natte grond geploeterd.

Van brandnetel is de wortel een topper tegen prostaatklachten, ik wil nu van wortel en jong blad samen een tinctuur en een siroop maken. De wortels mogen al enige stevigheid hebben maar toch niet te vezelig zijn, ze kunnen in lange slierten uit de losse grond getrokken worden. Liefst niet op stikstofrijke plaatsen langs vervuilde rivieren of op stortplaatsen verzamelen, al zijn dat plaatsen waar de netels graag groeien. Gelukkig heb ik er zelf genoeg in eigen tuin.

Maurice onder de brandnetels
De brandnetelwortel kan de groei van het prostaatweefsel bij goedaardige prostaatvergroting afremmen en de daarmee gepaard gaande plasklachten verlichten. Zo remmen de fytosterolen en de hydroxyvetzuren het enzym 5-α-reductase, enzym dat het mannelijk hormoon testosteron omzet in het prikkelende dihydrotestosteron (DHT) dat de prostaatgroei aanwakkert.
De lignanen dan weer verminderen de binding van DHT op de prostaatcellen en bijzondere vetzuren remmen het enzym aromatase dat testosteron omzet in 17-beta-oestradiol, een oestrogeen dat ook de prostaatgroei in de hand werkt.
Reken daarbij een milde ontstekingswerende werking van bètasitosterol op het prostaatweefsel en je begrijpt dat het dichtknijpen van de urineleider door de prostaat kan verminderen (zeker in de stadia I en II van benigne prostaathypertrofie), waardoor een man minder last heeft van:
  • frequent kleine beetjes moeten plassen (pollakissurie)
  • overmatig nachtelijk plassen (nycturie)
  • moeilijk te bedwingen aandrang 
  • gevoel van resterende urine (retentie)
  • vertraagd begin van de urinelozing
Het positief effect kun je gewoonlijk na 4 à 6 weken al merken. Het wortelextract moet men wel minimaal 3 maanden ingenomen worden.

Monograph WHO; Urtica radix
In de monografie va de WHO lezen we  'Sex hormone-binding globulin (SHBG) is a blood plasma protein that binds to circulating androgens and estrogens, thereby regulating their free concentration in plasma. The plasma membrane of the human prostate contains specific SHBG receptors, and SHBG appears to play a role in the development of BPH. A 10% hydroalcoholic extract of the root reduced the binding capacity of SHBG (isolated from human plasma) for 5α-dihydrotestosterone by 67% in vitro (41). An aqueous extract of the root (0.6-10.0mg/ml) inhibited the binding of 125I-labelled SHBG to human prostate membranes in vitro (42). The lignan, secoisolariciresinol, and a mixture of the isomeric compounds 13-hydroxy-9- cis,11-trans-octadecadienoic acid and 9-hydroxy-10-trans,12-cis-octadecadienoic acid isolated from a methanol root extract, reduced the binding of SHBG to 5α-dihydrotestosterone (18). Secoisolariciresinol and its main intestinal transformation products, (-)-3,4-divanillyltetrahydrofuran and enterofuran, displaced the binding of 5α-dihydrotestosterone to SHBG in vitro by 60%, 95% and 73%, respectively (43).

41. Schmidt K. The effect of an extract of Radix Urticae and various secondary extracts on the SHBG of blood plasma in benign prostatic hyperplasia. Fortschritte der Medizin, 1983, 101:713-716.
42. Hryb DJ et al. The effects of extracts of the roots of the stinging nettle (Urtica dioica) on the interaction of SHBG with its receptor on human prostatic membranes. Planta Medica, 1995, 61:31-32.

woensdag, januari 20, 2016

Gunnera in de winter

Er zijn zo van die planten die, alleen al om hun uiterlijk, een onverbiddelijke indruk op mij maken. Planten die in één seizoen ver boven een mens uitgroeien , een immens blad vormen en een meter lange knotsvormige zaadstengel de hoogte instuwen. Ja, inderdaad een echte machoplant die Gunnera's maar.... nu in januari zijn ze bijna tot niets vergaan en liggen de zaadknotsen geknakt en half verrot langzaam te vergaan. Ik kan niet aan de verleiding weerstaan om zo'n zaadbom mee te nemen. Te schaken, te ontvoeren van zijn publieke plaats, de historische wasplaats in Huelgoat naar mijn eigen onderkomen in Pont ar Gorret. De Ridders van de Ronde Tafel zullen zo'n heldendaad met genoegen vanuit hun hemels verblijf gade slaan.

Mogelijk is dit de plant die door van Ravelingen (Ravelingius) beschreven wordt; ‘Petasites Indica of Indiaanse Petasites bladeren, daar Lobel van spreekt, is een gewas dat op Petasites zeer gelijk van groei is en heeft ronde bladeren zo groot als een hoed. Dan de wortel is een verwarde reeks die terzijde vele jonge uitspruitende scheuten heeft en stelen van bladeren negentig cm lang die halmachtig en vol merg zijn en dragen elk een blad dat niet erg uitgehold of geschaard is zoals in de grote klis. De wortel groeit in een voze zwamachtige en wormstekige bol die boven rondom de stelen zeer dik gehaard is en beneden wijdt uitgespreid en zo groot als die van de grootste Osmunda, ze heeft een droge tezamen trekkende smaak. Maar dit kruid is noch niet te volle bekend of genoeg beschreven.’

Een andere soort, Gunnera tinctoria  zou, zoals de naam al zegt, een zwarte kleurstof bevatten. De vlezige bladsteel kan, volgens sommige literatuur, geschild als voeding gebruikt worden. De wortel werkt adstringerend. In Chili werd de wortel dan ook gebruikt om huiden te looien.

In South Africa, a decoction of the roots of Gunnera perpensa is used to expel the placenta after birth or to relieve menstrual pains (Ngwenya et al. 2003; Van Wyk & Gericke 2000; Von Ahlenfeldt et al. 2003.
According to Fox & Norwood Young (1982) the Sothos, Fingos, Xhosas and Zulus eat the petioles and flower stalks raw. The petioles have a bitter taste unless the fibrous vascular bundles and the outer covering are removed.

An aqueous decoction of Gunnera perpensa rhizome exhibited direct activity on isolated rat uterine smooth muscle but not on that of the ileum. Response to oxytocin-induced uterine contractions were potentiated by the extract. Abortifacient activity has been reported, but details are not available.
Water, hexane and 100% ethanol extracts of dried root, assessed for in vitro antibacterial activity against Staphylococus aureus, Klebsiella pneumoniae, Bacillus subtilis and Escherichia coli, were found to be inactive in the concentrations used.

 Kaido, T.L., Veale, D.J.H., Havlik, I. and Rama, D.B.K. (1997). Preliminary screening of plants used in South Africa as traditional herbal remedies during pregnancy and labour. Journal of Ethnopharmacology 55: 185-191. 
 Jonathan, L.T. (1995). Traditional versus modern medicine: the case for a collaborative approach to primary health care. Journal of Research: Ethnomedicine in Africa: 9-18.
 Roma, Lesotho. 5 Mc Gaw, L.J., Jager, A.K. and van Staden, J. (2000). Antibacterial, anthelmintic and antiamoebic
activity of South African medicinal plants. Journal of Ethnopharmacology 72(1/2): 247-263. 

woensdag, januari 13, 2016

Ter lering en ter vermaak

De jaarwisseling is voor mij ook het moment om vreemde teksten te ontdekken. Spannend reizen door eeuwen kruidentijd. Zo vind ik in het maandblad uitgegeven door de Vereeniging tegen de kwakzalverij onder redactie van H. Van Gelder, januari 1914, een aanklacht tegen een herborist-kwakzalver.


Citaat dus: Een der oudste leden onzer Vereeniging zond mij dezer dagen een advertentie uit een Rotterdamsch blad, waarbij zekere M. De Reeder, Bergweg 162 te Rotterdam, zich noemende „herbarist", de lezers meedeelde, dat voor alle ziekten kruiden zijn gewassen — indien men ze maar weet. „Indien alle middelen faalden", zoo betoogde hij in die advertentie, „dan moest men zich tot hém wenden om gratis inlichtingen." Het geval interesseerde ons en wij togen naar Rotterdam om met dezen „herbarist" kennis te maken. We moesten in een winkel van verbandartikelen enz., waarin hoopen pakjes kruiden opgestapeld lagen, eenigen tijd wachten, want Mijnheer had bezoek. Inderdaad kwam op een gegeven oogenblik een boertje uit een achterkamer te voorschijn die 1.50 neerlegde en een pakje kruiden zegevierend mee naar huis nam. Hij kreeg van den „herbarist" nog eenige goede wenken omtrent het gebruik mee en daarna was het oogenblik aangebroken waarop wij in zijn spreekkamer werden toegelaten.

Op tafel lagen eenige boeken en brochures, benevens een dik geneeskundig boek uit de oudheid, waarin onze „herbarist" af en toe ijverig bladerde. Er hing een mystiek, gedempt licht in het vertrek. Expresselijk eenigszins schuchter, vertelden wij met zachte stem persoonlijk absoluut geen geloof te hechten aan de gezegende kracht zijner kruiden, doch zijn advies te willen inwinnen op raad onzer familie, want „men kan toch nooit weten" had deze gezegd. (Dit was natuurlijk maar een „smoesje" om op gang te komen). Wij leden, aldus vertelden we verder, aan „psoriasis", de bekende hardnekkige huidziekte, die de mannen der officieele wetenschap niet kunnen genezen, doch die telkens weerkeert en waarvoor nog geen afdoende genezing is gevonden. Of hij altemet met'zijn kruiden die afdoende genezing kon bewerkstelligen ? „Slaat u uw oogen maar eens neer!" sprak ! onze herbarist, zóó, vlak Voorover. Aldus ge- ! schiedde en de groote man sprak de merkwaardige woorden : da's in orde ! — Wat is in orde ? — Ik zal u helpen. — Ja maar, afdoende helpen, zóó, dat de psoriasis nooit weerkeert. — Zeker. — Als dàt zoo is, zal ik mij finantieel niet onbetuigd laten, dat beloof ik u, maar ik zeg er direct bij, dat ik aan uw gezegde niet de  minste waarde toeken. — Toch zal ik u beter maken als u maar | precies doet met de kruiden, die ik u geven zal, : wat ik zeg. Wij hebben voor alle kwalen — behalve carcinoom en tuberculose in vergevorderden staat, gezegende kruiden. Alle samenstellingen dezer kruiden hebben wij in een boek | bijeengegaard; hier hebt u het ; Daar zijn kruiden bij, die veel meer kosten dan / 1.50, maar dat komt er bij ons niet op aan, want wij willen niet in de eerste plaats geld verdienen, doch menschen genezen en een aantal attesten vergaren.

— U is dus filantroop en veracht het aardsche slijk ? — Wij hebben, ik zeg 't nogmaals, niet direct geld noodig, Wij werken met een kapitaal van niet minder dan vier miljoen, dus het komt er niet zoo erg op aan. Onze bedoeling is hier in Nederland een afdeeling te stichten van de Deutsche „Verein für Pflanzenheilkunde", waarvan u deze brochure mee kunt nemen. — Dank u, maar ik ben een ongeloovige Thomas, ik gelóóf niet aan uw filantropische instellingen. — U meent, dat we kwakzalvers zijn? — Dat woord bezig ik niet, maar 't wil er bij mij niet in, dat u belangeloos optreedt. Ik zal gelóóven in de gezegende kracht uwer kruiden als u mij eenige menschen kunt opnoemen. — Wat zeg ik ? als u mij maar een mensch kunt opnoemen, die u gehéél van psoriasis hebt genezen. — Dat kan ik wel, want ik heb er verscheidene beter gemaakt met mijn kruiden. —. Ik behoef geen verscheiden namen, één is mij voldoende. Kunt u er mij één noemen 1 — Ja, iemand in Kampen. — Een oude of een jonge ? — Iemand van uw leeftijd ? — Dat treft. Hoe heet hij ? , — Ja, dàt zou ik u niet precies kunnen zeggen, wij hebben natuurlijk zijn naam in onze boeken genoteerd, doch deze boeken liggen op 't kantoor van onze fabriek te Schiedam. — Worden de kruiden daar gemaakt? — Ja. — Maar ik zal u den naam van den genezen patient schrijven, is dat goed ? — Best. Maar ik zeg u vooruit, dat ik dien genezen patient persoonlijk ga ondervragen. U kunt in Kampen wel dezen of genen vinden die u een dienst wil brengen en een attest .afgeeft. Aan attesten hecht ik niet de minste waarde, want daar heb ik heel treurige ondervindingen mee opgedaan. Ik zal dus dien door u genezen patient gaan ondervragen en als ik dàt gedaan heb, zal ik zijn dokter gaan opzoeken, die hem „opgegeven" had, het oogenblik dus waarop u met uw kruiden uw geneeswijze begonnen zijt. Is dat goed? — Zeker, ik vrees geen onderzoek.... in geen enkel opzicht (hakkelend) maar ik kan dien naam alleen geven, als de betrokken persoon er geen bezwaar tegen heeft. — Als hij werkelijk door u genezen is, zàl hij er geen bezwaar tegen hebben en mocht dit tóch zoo zijn, dan zal ik hem trachten te bewegen voor 't heil en in 't belang van alle psoriasislijders dat hij open kaart speelt. — Nou, ik zal u wel nader schrijven, daar kunt u op aan! De „herbarist" achtte het oogenblik gekomen ons onderhoud te eindigen, 't Gratis consult was afgeloopen. Ik kon gaan. Toen ik buiten was en te Rotterdam aan het oude lid onzer Vereeniging mijn wedervaren meedeelde, zei deze bijzonder benieuwd naar den afloop te zijn. Ik antwoordde niets nieuwsgierig te zijn, waarop hij mij aankeek als wilde hij vragen : hoe heb ik het nou met je? Neen amice ! ik ben in 't geheel niet nieuwsgierig, omdat ik vast overtuigd ben, dat ik den naam van dien genezen Kamper persoon nooit zal te hooren krijgen. Geloof me, ik ken mijn Pappenheimers !

* Enkele dagen later schreef onze „herbarist" mij, — hij had 25 jaren lang 't menschelijk lichaam en de kruiden bestudeerd ! ! ! —, dat hij tot zijn grooten spijt geen vrijheid vond mij den naam uit de boeken der Schiedamsche fabriek te melden, wijl de betrokken persoon hem om „discretie" had verzocht. Ik acht na bovenstaand getrouw relaas van mijn reis naar dezen Rotterdamschen „herbarist" elk commentaar overbodig en onze lezers zullen dit zeker wel beamen. C. N. G.

vrijdag, januari 08, 2016

Over kemp, lijnzaad en moerbeiboom in de 18de eeuw

Kemp bij Dioscorides
In 1771 schreef de Letter-kundige Maetschappy van Brussel een prijsvraag uit luidende: Welk zyn de profytelykste Planten van dit Land, ende welk is hun Gebruyk zoo in de Medicynen als in andere Konsten? Joannes Baptista de Beunie, licentiaet in de medicynen behaalde met zijn antwoord op de vraege de prijs. Het antwoord werd gedrukt te Brussel in 1772 en omvat 70 bladzijden.

De Beunie schrijft oa over de moerbeiboom, de kemp en het lijnzaad. 
«Hoe beklaegelyk is de onkunde der Gewassen? Onse Nederlantsché Provintien, onder eene gematighde loghtstreek gelegen, brengen met duysende verscheyde Gewassen voorts, ende nouwelyckx zyn de eygendommen en kragten van hondert bekent», zo schreef de Beunie en heeft bij de planten die voor de economie belangrijk waren vermeld waar zij gekweekt werden.

Zijn ondervinding heeft hem geleerd dat de Moerbezien-boom, Morus, in de Oostenrijksche Nederlanden niet alleen overal groeit maar ook tegen de strafste winters bestand is. Daarom geeft hij de raad aan de zij-reders om de eerlang beginnende tak van commercie tot een bloeiende staat te brengen door een beknopt boekje gratis te distribueren waarin de gehele behandeling van de zij-worm en de cultuur van de witte Moerbezien-boom beschreven staan.

Over Canabis (kemp) schrijft hij het volgende: «Het Saet ende de Olie van desen plant, is alleenelyk in de Medicyenen in 't gebruyk, en als een demulcens ende relaxans bekent: maer in de Economie is desen plant van de aldergrootste nuttigheyd, ende geeft geen klyn gewin aen de Provincie van Vlaenderen. Men maekt van den Bast ofte Schors, Gaeren, Lynwaet, Lenten, Touwen, Papier etc. Het Zaet, dient tot vermakinge van alle gevogelt. De Olie word van de Seepsiers bemint, niet alleen om haere vettigheyd, maer om dat zy daer van de groene Seep sonder Indigo konnen beryden.

De tekst bij Linum (vlas) is hiermee te vergelijken: «Men moet dit Gewas houden voor den Grootsten segen van onse Oostenryksche Nederlanden, alsoo het selve aen hondert duysende menschen het brood geeft. Het Vlas-saet geeft overvloedige olie, de welke gebruykt wort om te branden, schilderen, vernissen te beryden ende  seep te maeken». Eén van de medische toepassingen door de chirurgijns was het gebruik van gestampte of gemalen vlaszaad in pappen als zeer verzachtend,

Boek: Volksgeneeskunst


Bekijk de originele afbeelding

Over een niet zo oud boek uit mijn kruidenbibliotheek. Wel een boek van de vorige eeuw maar in het kader van eeuwen kruidengeneeskunde is dat toch heel recent. Een inventarisatie van oudere volksgeneeskundige gebruiken om ziektes te bestrijden. Volksgeneeskunst in Vlaanderen en Nederland van de ondertussen ook oude Dr. Paul Van Dijck.

Volksgeneeskunst bestaat al zolang er mensen zijn. Het is een integraal onderdeel van vrijwel elke samenleving. Door het overweldigend aantal nieuwe diagnostische en therapeutische mogelijkheden die zich aandienden in de 20ste eeuw heeft de officiële geneeskunde een indrukwekkende ontwikkeling doorgemaakt. Vanaf het eind van de zestiger jaren is er echter een langzaam ontwakend besef dat er grenzen zijn aan de ontwikkeling van de geneeskunde. Men wordt nu  bij het begin van de 21ste eeuw bewust van de lacunes in inzicht en kennis en men realiseert zich dat de grote vooruitgang van de officiële geneeskunde enerzijds veel zinnigs heeft opgeleverd, maar anderzijds aanleiding geeft tot nieuwe problemen. Voorbeeld zijn de schadelijke werking van geneesmiddelen en geneeskundig handelen.

Men zou verwachten dat door de snelle ontwikkeling van de officiële geneeskunde, de genees­kunst van het volk zou zijn verdwenen. Iedere gezondheidswerker weet echter dat volksgeneeskundige begrippen en volksgeneesmiddelen nog in ruime mate voorkomen. En dat er steeds meer alternatieve cursussen komen waar die oude gebruiken opnieuw onderwezen worden.

De tweede factor vormt de mening dat het belangrijk is te komen tot een deprofessionalisering van de gezondheidszorg. Minder accent leggen op de specialistische, technische geneeskunde en meer aandacht besteden aan het ontwikkelen van verantwoordelijkheid, kennis en inzicht omtrent ziekte en gezondheid bij de patiënt zelf.

De volksgeneeskunst is de oerbron van elke geneesmethode. De universitaire geneeskunde is in de loop der tijden steeds verder van deze oerbron afgeraakt, wat echter geenszins wil zeggen dat volksmiddeltjes en -methoden uit onze samenleving verdwenen zijn.

Het boek van Paul van Dijk beschrijft de verschillende aspecten van de volksgeneeskunst: de kenmerken ervan, haar geschiedenis, denkbeelden over ziekte en gezondheid, het volksgeloof....
Verder geeft het boek een overzicht van vrijwel alle huismiddelen die eind twingtigste eeuw nog in omloop waren. Bij elk middel wordt aangegeven hoe vaak het nog wordt toegepast, en of het middel al in vroeger eeuwen bekend was. Dit boek bevat ,'volksgeneeskunst' in de ware zin van het woord — duizenden recepten, gebruiken en ideeën werden namelijk na een oproep via de media, door kijkers, luisteraars en lezers van gezondheidsbladen, ingestuurd. Voor de illustraties werd geput uit een veelheid aan vooral historisch materiaal: schilderijen, houtsneden, kopergravures en tekeningen.
Een uitgebreid, wetenschappelijk, maar ook speels en humoristisch standaardwerk!

Een boek dat neutrale informatie wil geven over de vele huismiddeltjes voor allerlei kwalen door de eeuwen heen. Een boek vol met merkwaardige, absurde, curieuze maar soms ook verantwoorde middeltjes die de laatste jaren een wetenschappelijke onderbouwing gekregen hebben.

Een voorbeeld: aambeien (haemorrhoïdes)
  • aardappel in de broekzak meedragen
  • zure appels in een doekje op de aambeien leggen
  • een koud zitbad nemen of koude afwassingen van de anus
  • compres met brandnetels op de aambeien aanbrengen
  • thee drinken van brandnetels
  • thee drinken van duizendblad (werkzaam)
  • heliotroop (edelsteen) op het lichaam dragen
  • smeersel van eierdooier met slaolie op de aambeien aanbrengen
  • een paar maal per dag de aambeien bestrijken met een aftreksel van de gedroogde bast van een eikenboom (werkzaam?)
  • de knolletjes van helmkruid goed wassen, in stukjes snijden en in één liter water of melk koken tot het is ingedampt tot een halve liter. Het geheel zeven en een ons keukenstroop toevoegen. Even weer opkoken, daarna laten afkoelen. Het drankje in drie keren opdrinken (werkzaam?)
  • huislook op de aambeien leggen
  • zitbad met kamille of kamillethee drinken
  • een  paardenkastanje  in  de  zak dragen (werkzaam)
Volksgeneeskunst in Nederland en Vlaanderen. Paul van Dijk, arts. ISBN 90 202 5057 4  Uitgeverij Ankh-Hermes. Deventer

dinsdag, december 29, 2015

Hildegard en entheogenen

De donkere dagen na kerst zijn zowiezo het moment om planten wat anders, wat fantastischer te bekijken. Om bijvoorbeeld de mogelijke relatie tussen religie en rituele planten te bestuderen. Al eerder werd door verschillende schrijvers een verband gelegd tussen het ontstaan van religies en en het gebruik van hallucinogenen, Vandaar ook de naam van entheogenen (de god in onzelf) in gebruik voor planten zoals doornappel, bilzenkruid, alruin... en paddenstoelen zoals de vliegenzwam. Ook de Heilige Hildegard Von Bingen en haar visioenen wordt in verband gebracht met het gebruik van hallucinogenen. Aanwijzingen voor het gebruik van entheogenen door Hildegard vinden we ook in het boek ‘De geheimen van Hildegard von Bingen’van Gerrit Jan Keizer,

Keizer als mycoloog, kreeg interesse  in Hildegard toen hij de miniatuur ‘Die Seele und ihr Zelt’ van Hildegard von Bingen onder ogen kreeg. In die miniatuur is aan de linkerkant een diabolische figuur te zien die een bruine paddenstoel in een schaal met kazen verstopt. De Duitse kunsthistorica Claudia Müller-Ebeling interpreteerde dit als een bewijs van mycofobie, angst voor het aanraken of consumeren van (giftige) paddenstoelen en zwammen. Deze angst zou volgens haar in Duitsland opkomen in de tijd van Hildegard. Alle overige symbolen in de miniatuur verwijzen echter naar het ceremonieel gebruik en de verering van de vliegenzwam. Toen Keizer er vervolgens op werd gewezen dat de miniatuur ‘Das Weltall’ overduidelijk een yoni oftewel (orgastische) vagina weergeeft, besloot hij het leven en de werken van Hildegard aan een nader onderzoek te onderwerpen.
De resultaten van zijn onderzoek zijn verwerkt in zijn boek 'De geheimen van Hildegard von Bingen' en het hoofdstuk 'Hildegard of Bingen. Unveiling the Secrets of a Medieval High Priestess and Visionary' in 'Entheogens and the Development of Culture. The Anthropology and Neurobiology of Ecstatic Experience' van John A. Rush (North Atlantic Books, 2013).

Keizer vond een aantal aanwijzingen voor Hildegards gebruik van paddenstoelen die psychoactieve stoffen bevatten, zoals de vliegenzwam en planten zoals de doornappel, de alruin en het bilzenkruid. Volgens Keizer valt dit bijvoorbeeld op te maken uit de beschrijvingen van haar openbaringen op tweeënveertigjarige en zestigjarige leeftijd en het karakter en de inhoud van haar visuele en auditieve hallucinaties. Volmar, haar secretaris en ervaringsdeskundige is getuige van de eerste ‘openbaring’. Dit wijst erop dat de hallucinatie niet spontaan optreedt, maar dat er sprake is van een geleide, danwel door Volmar geïnitieerde en begeleide ervaring, die na oraal gebruik van mogelijk de vliegenzwam tot stand kwam. Het neerdalen van de ‘vlammen’ oftewel van de Heilige Geest vanuit het plafond is ook een aanwijzing voor het binnenskamers gebruiken van entheogenen.

Zowel Volmar als Richardis zijn aanwezig bij de eerste ‘Schau’ van de laatste tien visioenen, wat opnieuw wijst op het niet spontaan, maar op afroep en onder invloed van entheogenen ervaren van een ‘visioen’. Richardis ‘knipoogt’, terwijl zij getuige is van het ‘visioen’. Dit geeft aan, volgens Keizer, dat er sprake is van ‘inner vision’ en/of een gedeeld geheim, danwel van ‘een oogje dichtknijpen’ voor het door Hildegard gepleegde bedrog. Opvallend hierbij is dat dit keer de uitstorting van de Heilige Geest plaatsvindt vanuit een venster met geopende luiken in een boven haar cel zwevende wolk.

Bilzenkruid in de Queyras
In verschillende miniaturen worden de ‘rivieren van ‘levend’ water’ weergegeven, oftewel het hergebruik van muscimol bevattende urine en de met de fontein des levens geassocieerde ouroboros, het symbool van de cirkel van het leven.

Verder zijn in vele miniaturen psychoactieve planten en paddenstoelen door symbolen en kleuren weergegeven. In ‘Das Weltall’ bijvoorbeeld is een orgastische yoni te zien - het gevolg van het aanbrengen van klompjes witte bolletjes met vurige rode tongetjes tussen de grote en kleine schaamlippen. In ‘Das Ende der Zeiten’ verschijnt een diabolisch monster in de schaamstreek van Hildegard als de gekroonde Heilige Maagd, hetgeen mogelijk het gebruik van heksenzalf impliceert. In de rand van de miniatuur is bilzenkruid afgebeeld.
In ‘Physica’ schrijft Hildegard over de gedeeltelijk zelf ervaren effecten van entheogene planten, waaruit kan worden opgemaakt dat ze bekend en vertrouwd was met het gebruik van geestverruimende middelen. En uit de vele ontmoetingen met koningen, keizers, edelen en hoge geestelijken, waaronder de privéconsultatie van Barbarossa in zijn keizerlijk paleis, kunnen aanwijzingen voor haar dealerschap of het optreden als ‘pigmentarius’ voor de elite worden afgeleid.
Fantasie of werkelijkheid? Wie zal het ons echt zeggen?

Entheogenen en religie
  • Gerben Hellinga en Hans Plomp - Uit je Bol
  • Wasson, R. Gordon, Hofmann, Albert en Ruck, Carl A.P., The Road to Eleusis: Unveiling the Secret of the Mysteries. New York, 1978.
  • Aldous Huxley, The Doors of Perception, diverse uitgaven sinds 1954/1956.
  • Entheogens And The Future Of Religion. Edited by Robert Forte. San Francisco, 1997. (ISBN 1-889725-01-3)
  • Schultes, Richard Evans & Hofmann, Albert, Plants Of The Gods – Their Sacred, Healing and Hallucinogenic Powers. Rochester/Luzern, 1992.
  • Terence McKenna, Food of the Gods: The Search for the Original Tree of Knowledge – A Radical History of Plants, Drugs and Human Evolution (1984/1992/1999)
  • Ton Lemaire, Godenspijs of duivelsbrood - Op het spoor van de Vliegenzwam. Baarn, 1995.