zaterdag, mei 05, 2018

Koffie levensverlengend.

Als gezondheidsfreak wordt regelmatig beschuldigend gekeken naar mijn koffiegebruik. Koffie is toch niet gezond? Toch blijkt uit heel veel wetenschappelijk onderzoek dat een beperkt  maar regelmatig koffiegebruik niet alleen geen kwaad kan maar zelfs goed is tegen vele chronische klachten en mogelijk zelfs levensverlengend kan zijn. Elke dag twee of drie koppen koffie drinken vertraagt waarschijnlijk het verouderingsproces op moleculair niveau. Dat schrijven epidemiologen van de universiteit van Harvard in de Journal of Nutrition.

Studie
De onderzoekers gebruikten gegevens die waren verzameld vanaf 1976 in de Nurses Health Study. Ze hadden van 4780 vrouwen gegevens over hun leefstijl - inclusief hun koffieconsumptie. Bovendien wisten ze hoe lang de telomeren van hun bloedcellen waren.
Als je het heel simpel wilt zeggen, dan zijn telomeren een soort biologische klok. Hoe langer je telomeren zijn, des te langer heb je nog te leven.

Resultaten
Er was geen verband tussen de inname van namaakkoffie - dat verschrikkelijke spul waar ze de cafeïne uit hebben weggehaald - en de telomeerlengte. Maar bij de studiedeelnemers die een paar koppen echte koffie per dag dronken hadden een verhoogde kans op een telomeerlengte die groter was dan gemiddeld.
De kans op een bovengemiddelde telomeerlengte was optimaal bij een inname van 2-3 koppen echte koffie per dag.

Waarom namaakkoffie de telomeerlengte niet beschermt weten de onderzoekers niet. Ze opperen de mogelijkheid dat cafeïne complexen vormt met bioactieve stoffen in koffie die in het lichaam minder snel worden afgebroken of een verhoogde biobeschikbaarheid hebben. [Food Biophys 2009;4:321-30.]

Conclusie

"Our findings suggest that higher consumption of coffee - especially caffeinated coffee - is associated with longer telomeres, but additional studies are needed to clarify how coffee consumption is involved in telomere biology", resumeren de onderzoekers. "Future studies can provide mechanistic understanding by examining how specific compounds in coffee are involved in telomere maintenance."
"In addition, conducting observational and randomized clinical studies that examine other populations or obtain repeated measurements of telomere length for each participant will further clarify the shape of the dose-response curve for coffee consumption and telomere length."
"Understanding coffees effect on telomeres may help us discover new pathways by which coffee consumption influences health and longevity."

Bron:
J Nutr. 2016 Jun 8. pii: jn230490. [Epub ahead of print].


zaterdag, april 28, 2018

Bosandoorn

Op ons kruidenweekend bij Bonsoy maakten we een wilde soepwandeling: berenklauw, look zonder look, vogelmuur, daslook, goudveil en nog veel meer werden geplukt en verwerkt in de soep. Brood en een dipsaus van mayonaise met gemixte daslook en een geplette verse geitenkaas zomaar gemengd met bosandoorn. Ja bosandoorn toch een plantje met wat vreemde, roetachtige smaak, maar gemengd met geitenkaas en lichtjes gesmolten in de warme wilde soep een delicatesse. Met dank aan Virginie voor de suggestie.

Wat wetenschappelijk onderzoek Stachys sylvatica / Bosandoorn


Stachys is one of the largest genera in the Lamiaceaeplant family. It is a genus of about 300 species and a subfamily of Lamioideae. The distribution of the genusbcovers Europe, Asia, Africa, Australasia, and North America. This plant grows in different regions of Iran's provinces such as Isfahan, Chaharmahal and Bakhtiari, and Lorestan. In traditional medicine, this herb is considered as anti-pain, anti-neuralgia, antioxidant, antipyretic, and appetizer[62].

Sereshti et al. investigated the effect of aqueous and alcoholic extracts of the plant Stachys sylvatica on T. vaginalis in vitro. Their results indicated that aqueous and alcoholic extracts of the plant after 72 hours in medium culture TYI-S-33 had no effect on T. vaginalis, and metronidazole was more effective than this extract.

Nat Prod Res. 2012;26(18):1676-81. doi: 10.1080/14786419.2011.613384. Epub 2011 Oct 20.
Essential oil composition and antioxidant activity of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) from different wild populations in Kosovo. Hajdari A1, Novak J, Mustafa B, Franz C. Leaves and inflorescences of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) were collected from three different wild populations in Kosovo to study the natural variation of the chemical composition of essential oils, total flavonoids, total phenolics and the antioxidant activity. Essential oils were obtained by steam distillation and analysed by GC-FID and GC-MS, whereas total flavonoids, total phenolics and antioxidant activities were determined by spectrophotometric methods. Yields of essential oils ranged from 0.001% to 0.007% (v per dry weight). Twenty-eight volatile constituents were identified. The main constituents were α-pinene, β-pinene and germacrene-D. Total phenolics ranged from 39.3 to 70.8 mg g⁻¹ dry mass, whereas total flavonoid content ranged from 30.44 to 70.63 mg g⁻¹ dm. The antioxidant activity, as measured by the DPPH method, exhibited a rather high degree of activity ranging from 25.5% to 57.2%, whereas the FRAP antioxidant activity showed a lower variability and ranged from 93 to 133.4 mg g⁻¹ dm.

  • Hajdari A, Novak J, Mustafa B, Franz C. Essential oil composition and antioxidant activity of Stachys sylvatica L. (Lamiaceae) from different wild populations in Kosovo. Natural product research 2012; 26(18): 1676-1681. 
  • Sereshti M, Yousofi Darani H, Zebardast N, Rafean M, Manochehre Naeini K, Yousofi HA. Effect of ethanolic and watery extract of aerial parts of Stachys Lavandulifolia on Trichomonas vaginalis, in vitro. Journal of medicinal plants 2012; 1(41): 159-165.


vrijdag, april 27, 2018

Gele velden

Koolzaadveld bij Pont-ar-Gorret

Op vele plaatsen zie je nu de bermen en akkerranden geel kleuren door raapzaad of koolzaad. Ze lijken erg op elkaar.  Raapzaad is een inheemse wilde plant, terwijl koolzaad vooral is aangeplant voor landbouwdoeleinden en is verwilderd.

Het verschil?
Bij raapzaad zijn de bloemknopjes korter dan de al bloeiende bloemen, terwijl bij koolzaad de knopjes boven de bloeiende bloemen uitsteken. Raapzaad bloeit over het algemeen ook iets eerder dan koolzaad, maar op dit moment treft je beide bloemen aan.

Koolzaad heet officieel Brassica napus, het is één van de vele leden van de Kruisbloemen-familie, waar o.a. alle koolsoorten, die we als winter-groenten kennen, maar ook radijs, rettich, rucola, mosterd, Kailaan en Yu Choy Sum bij horen. De heldergele koolzaad-bloemen groeien uit dikke knoppen, ze hebben 4 kroon- en 4 kelkblaadjes, die samen een -dubbel- mooi ‘kruisje’ vormen en staan in trossen bij elkaar. Koolzaad-bloemen hebben een fijne zoete smaak en zijn zeer geschikt voor fijne garneringen. Vanaf half April tot eind Juni zijn de bijen ook blij met deze bloemen, imkers brengen daarom jaarlijks hun bijen-volken naar de bloeiende Koolzaad-velden. De Koolzaad-honing is goed voor de luchtwegen en werkt inwendig sterk reinigend. De zaden bevatten veel 43% koolzaad-olie, die na koude persing dient als natuurlijke grondstof voor o.a sla-olie, margarine en mayonaise, maar ook voor bio-diesel. In Noord Amerika wordt deze brandstof ‘Canola’ genoemd, wat staat voor: CAN-adian Oil Low Acid. Koolzaad is ontstaan uit een kruising van wilde kool en raapzaad.





dinsdag, april 24, 2018

Over Jim Duke

In December 2017 overleden James A. Duke.

Remembering Jim Duke by Mark Blumenthal
HerbalGram. 2018; American Botanical Council

The worlds of ethnobotany and herbal medicine have lost one of their truest and strongest champions with the passing of Jim Duke, PhD, at age 88 in December 2017. Jim was one of the most prolific and influential people in the modern herbal medicine scene and was respected by scientists, herbalists, and the many thousands of readers of his books and articles.

I met Jim at the first Herb Trade Association symposium in Santa Cruz, California, in the spring of 1977. Over the years, he sent me large manila envelopes full of photocopied botanical research articles from the US Department of Agriculture (USDA) addressed to “Dr. Mark Blumenthal” so he could use the USDA’s franking privileges (free mail for government employees). Jim was the first person who consistently, and jokingly, referred to me as “Doctor.” (I do not have a formal advanced degree, like many of my herbal brothers and sisters.) Jim was one of my most influential mentors and exhibited a passion for all vascular plants, their myriad properties, and their countless benefits for indigenous peoples as well as those in developed societies — the stuff of ethnobotany.

I am profoundly grateful to have known and learned from him, and that he supported my efforts to start and build ABC. He was one of the first three board members when ABC was founded in November 1988, along with the late Professor Norman Farnsworth, PhD, a respected pharmacognosist, and me. (The esteemed Professor Varro Tyler, PhD, joined the board a few years later.) Until his passing, Jim remained on the ABC Board of Trustees as the Director Emeritus, or “Director Demeritus,” as he frequently referred to it in his usual way of wryly twisting language.

We took numerous trips together to the Peruvian Amazon and Andean highlands, as well as Belize, Costa Rica, Kenya, and South Africa. We even found ourselves hanging out in Seoul, South Korea, at the 3rd International Ginseng Symposium in 1980.

I have so many fond memories of Jim; here are but a few:

His singing and playing a beat-up Spanish guitar in the screened-in bar at Explorama Lodge on the Amazon, downriver from Iquitos, Peru. (On many trips to Amazonia, he would take a beat-up acoustic guitar and leave it there for the locals.)

Drinking the crude aguardiente rum distilled from the fermented sugarcane juice, which was squeezed out of the caña (sugarcane) by a primitive press powered by an ox that tread a well-worn circular path on the bank of the Amazon near Explorama.

Eating suri — the nutritious larvae of the South American palm weevil — at a rustic, no-frills camp on the Napo River. (Being omnivorous, he ate the suri; being vegetarian, I did not.)

His “Dukeisms”: Jim’s well-known wordplay (e.g., as in the double entendre “Herbalbum,” his anthology of “Varicose Verse,” and his book Lewd Latin Lexicon) and stream-of-consciousness emails (Steven Foster, an inveterate and unrepentant archivist, has collected hundreds of them). He penned articles for HerbalGram when it was still a newsletter in the early- to mid-80s, and I enjoyed the challenge of editing his often-poetic prose.

We extend our deep gratitude to Helen Lowe Metzman for her contribution to this issue, and to Jim’s life. Helen is the chief gardener at Jim and his wife Peggy’s six-acre Herbal Vineyard at their home in rural Maryland, and was Jim’s right-hand helper for the past decade. The day after Jim passed over, Helen sat down at his desk and wrote a heartfelt tribute on his old desktop computer. We include Helen’s account in our special section devoted to Jim.

To provide a detailed insight into Jim’s professional life and publications, Steven Foster, botanist, author, and co-author of one of Jim’s most popular books (Peterson Field Guide to Medicinal Plants and Herbs of Eastern and Central North America) has written what will no doubt become the definitive summary of Jim’s many botanical accomplishments. Included in Steven’s compelling 7,000-plus-word article is the story of how Jim documented the potential adverse effects of the proposed use of nuclear weapons in the 1960s to create a new Panama Canal on the plants, environment, and native peoples of the region. Jim spent a considerable amount of time in Panama inventorying the plants of the rainforest and befriending the local people.

I’ve never known anyone like Jim Duke, and I know that my life and the lives of so many others who respected, admired, and loved him are immensely richer for having known him. Whether you knew Jim or not, you will enjoy reading Helen and Steven’s tributes to him in our 18-page spread with colorful photos and stories of the man who helped propel herbal medicine in ways that can never be fully measured.

maandag, april 16, 2018

Weegbree moet het nu waar maken

Vers weegbreeblad moet nu maar eens onze redder in luchtwegennood worden. Na weken problemen met keel, krampachtig hoesten en veel slijm en vele goede kruiden (salie, tijm...) geprobeerd te hebben is het nu de beurt aan weegbreeblad.

Vers weegbreeblad is er in principe genoeg te vinden toch valt het nog vies tegen om genoeg planten in eigen tuin te ontdekken. En ik wil juist vers blad gebruiken omdat vers in dit geval beter werkzaam is dan gedroogd.  We plukken 3 maal daags 5 blaadjes om 1 kop thee te trekken. En nu enkele dagen afwachten op de resultaten.

Bijschrift toevoegen
Over Plantago lanceolata of smalle weegbree.

De plant komt oorspronkelijk uit Europa en West-Azië, maar werd door de Europeanen over de gehele wereld verspreid als ‘het voetspoor van de blanke man’. Het weegbree-zaad wordt kleverig in vochtige toestand en blijft dan gemakkelijk plakken aan de voetzolen van wie er overheen loopt.

De soortnaam ‘Plantago’ komt van het Latijnse woord ‘planta’ voor ‘voetzool’. ‘lanceolata’ betekent ‘lancetvormig’ en verwijst naar de bladvorm. De grote weegbree, Plantago major, heeft bredere, meer ronde bladeren – ze zijn ook donkerder groen van kleur – en zoekt de vochtige schaduw op, terwijl de smalle weegbree een voorkeur heeft voor zandige, drogere bodems, en in het algemeen een ‘drogere’ indruk maakt. Plantago lanceolata, komt iets minder voor dan de grote weegbree, maar beide behoren tot de meest algemene onkruiden die langs onze wegen, in onze tuinen en graslanden voorkomen.

Smalle weegbree is een overblijvende plant met een korte, stevige wortelstok en lange, smalle bladeren, die rechtstreeks uit de grond lijken te komen (wortelrozet). Daartussen rijzen stevige, bladerloze stelen omhoog, die uitmonden in een groen-bruinige aar, die vele nietige, doorzichtige, geurloze bloempjes verenigt.
De bloempjes zijn tweeslachtig, de meeldraden ontwikkelen zich echter later dan de stijl, waardoor men bovenaan de aar meestal alleen stijlen ziet uitsteken en onderaan alleen meeldraden (met de opvallend witte helmknoppen), ofwel onderaan alleen stijlen en bovenaan nog gesloten bloempjes. De bloei, die al in april kan starten, loopt soms door tot aan de eerste vorst. De vrucht is een tweehokkige doosvrucht die met een dekseltje openspringt.

Alom bekend is het gebruik om vers geplukt (iets gekneusd) weegbreeblad als noodpleister direct op een verse wond te leggen of om daarmee bij insectensteken jeuk en zwelling acuut te verlichten.

Van oudsher worden weegbreepreparaten ingezet in voorjaarskuren om het bloed te reinigen, maar vooral ook bij catarrale luchtwegproblemen en huidaandoeningen. Terecht, zo beseft men meer en meer, want bij wetenschappelijk onderzoek worden steeds meer farmacologische effecten aangetoond en ‘geneeskrachtige stoffen’ ontdekt.

Zo wordt de antibacteriële, ontsteking remmende werking van Plantago lanceolata vooral toegeschreven aan de iridoïdglycosiden, met als hoofdbestanddeel aucubine (de activiteit ervan vermindert wel bij opwarmen). Het verzachtend effect op de hoestprikkel verbindt men vooral met het hoge gehalte aan slijmstof-polysacchariden. Als verdere belangrijke inhoudsstoffen van Plantago lanceolata worden genoemd: flavonoïden (vooral apigenine en luteoline), fenylethanoïden (acteoside), looistoffen, coumarine-glycosiden (aesculetine), chlorogeenzuur, enzymen (invertase), vrij veel kiezelzuur en een hoog gehalte aan kalium.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’ dat er voldoende evidence is voor de (orale en oromucosale) toepassing van extracten van Plantago lanceolata in de ‘symptomatische behandeling van geïrriteerd mond- en keelslijmvlies, gepaard gaande met droge hoest’. En dat hebben we nu net nodig.

zondag, april 15, 2018

Over de zeldzaamheid van planten en de zelfgenoegzaamheid van mensen.

Primula vulgaris geplukt,
verwerkt en vermeerdert
Over de zeldzaamheid van planten en de zelfgenoegzaamheid van mensen. Of moet ik schrijven over de zelfgenoegzaamheid van natuurliefhebbers? Op internet en Facebook word ik regelmatig geconfronteerd met mensen die zogenaamd bezorgd zijn over de natuur en de wel of niet zeldzame planten tegen die onverlaten van plukkende herboristen willen beschermen. Alsof herboristen geen plichtbewuste natuurliefhebbers zijn en alsof het plukken van planten altijd slecht zou zijn voor die planten. Wij wonen gedeeltelijk in Bretagne en sommige mensen in Belgie schrikken als we daslook, stengelloze sleutelbloem of navelkruid zomaar plukken en zelfs opeten.

Om te beginnen zijn deze 3 planten hier zeer algemeen, evenveel voorkomend als bijvoorbeeld de paardenbloem, daarbij zijn het meestal planten die we in onze eigen tuin plukken. Het plukken van delen van planten is voor de sleutelbloem en konsoorten ook niet altijd slecht, integendeel het stimuleert juist de groei. Zelfs bij het oogsten van een deel van de wortels doe je aan verjonging van de plant. Om nog maar te zwijgen over het bewustzijn dat je krijgt door zo intens met deze planten bezig te zijn. Een bewustzijn dat sommige theoretische natuurliefhebbers blijkbaar missen. Ik wens hen dan ook meer lijfelijk genot in de natuur. Met je lichaam in het landschap.

Over de sleutelbloem


Stengelloze sleutelbloem / Primula vulgaris in eigen tuin
Een plant die in het voorjaar tuin en weiland opvrolijkt is de stengelloze en andere sleutelbloemen. Vorig najaar heb ik er heel wat gescheurd, die kleine rozetten lijken nu voor het eerst te willen bloeien.
Een bos bedekt met gele sleutelbloemen is een van mijn kleine voorjaarsgeneugten. Nog meer genot geven ze als je de oude verhalen over deze Primula’s kent. Een Griekse jongeling Paralysos genoemd, was zo bedroefd over de dood van zijn bruid, dat de goden, bewogen door deze grote liefde, hem in een Sleutelbloem veranderde. Interessante geschiedenis maar of die jongeling daarmee gelukkig was, vertelt het verhaal niet. Wel werd daarmee de oude naam Herba paralysis, een kruid tegen verlammingen verklaard. Mogelijk zijn veel van die vreemde verhalen ook ontstaan om medicinale en andere nuttige informatie beter te kunnen onthouden. Hildegard, 12de eeuw, noemde de plant Hemelsleutel of Hymelsloszel, een naam die zou komen van de gevallen sleutelbos van Sint-Pieter en nog verder teruggaand van de Germaanse godin Freya. De plant zou de sleutel zijn naar de verborgen schatten, naar het geluk en de wijsheid. Zo iets als een nieuwe lente en een nieuwe hoop. Meer aardse benamingen zijn Eierkruid, Koekebloem en zelfs Pannekoekjes, omdat de bloemen ook in de pannenkoeken en koekjes meegebakken werden.
Ook Jacob van Maerlant in zijn ‘Naturen Bloeme’, een boek waarmee we in het middelbaar onderwijs belast werden, dichte over deze bloem:

Primula dats een kruut
Tierste dat te lentin coemt uut,
Ende taleerst dat bloemen draghet.
Dit cruut,alsmen ons gewaghet,
Ghedronken met roeden wine,
Dats volmaeckte medicine
Ghedronken in alre noet
Jegent swaer evel goet.

Sleutelbloem in Bretagne
In Bretagne vinden we de Primula vulgaris massaal in de natuur. De sleutelbloemen worden hier ook wel 'Coucou' koekoek genoemd, omdat ze allebei de lente aankondigen.
Les feuilles et fleurs peuvent être consommées crues ou cuites comme pour la primevère élevée (Primula eliator), la primevère officinale (Primula veris)
Les feuilles sont meilleures lorsqu'elles sont jeunes et apportent une note légèrement anisée un peu piquante (que l'on retrouve en plus fort dans les racine) dans une salade composée. Après le printemps, il vaut mieux les cuire en soupe ou en légume mais de préférence avec d'autres plantes car elles sont parfois un peu fortes. La friture les rend croustillantes à souhait. Elles flétrissent lorsque la plante a formé ses graines. Les fleurs sont consommées en salade mêlées à d'autres fleurs et interviennent dans différents breuvages (thés, tisanes, infusions, sirops ; aromatisation du vin et des vinaigres). Elles décorent les plats chauds ou froids et sont également utilisées confites au sucre en pâtisserie4.

Propriétés médicinales sont les mêmes que celles de la primevère officinale et de la primevère élevée :
  • les fleurs, adoucissantes et calmantes, sont utilisées dans des mélanges pectoraux ;
  • les feuilles sont anti-ecchymotiques ;
  • toute la plante et particulièrement la racine ont des propriétés analgésiques, anti-spasmodiques, diurétiques et expectorantes.
Meer over sleutelbloem



dinsdag, april 10, 2018

Over de aartsengelwortel

De grote engelwortel is al vroeg in het voorjaar volop aan de groei. Het is nu ook het moment  om de zachtere stelen te oogsten om de klassieke confijt te maken. Maar...dit jaar wil ik alleen maar genieten van dat hoopgevend groen.

De grote engelwortel is door de eeuwen heen bewondert en geprezen geweest. Zo schreef Hondius in zijn leerdicht: Als de peste door het landt henen loopt en Godes handt op der aerde is verheven : doe elck een een saetgen geven dach voor dach om op te vasten van d'oprechte Angelica.' 

Aartsengel Michael zou deze plant als geneesmiddel tegen de pest hebben aangewezen. Vandaar de naam. Verplegers van pestlijders kauwden dan ook op de wortels om zich 'de haastige ziekte' van het lijf te houden. Dodonaeus zag het zo 'Deseselve wortel nuchter inghenome oft alleen in den mont ghehouwe bewaert oock ende beschermt den mensche van der haestighe sieckte, van alle quade lochten ende fenijn. Ook andere infectieziekten, vergiftigingsgevaren, beten van dolle honden werden met angelica behandeld. De wortels hadden geneeskundig de beste reputatie, maar ook ook de bladeren en de zaden werden toegepast: 'Oock schrijft men den  Angelica toe dat die bladeren daer af met Ruyte ende huenich vermenght seer goet gheleyt sijn op die beten van verwoede honden'.

Angelica, dat zelf een tegengif is, was een van de ingrediënten van de theriak, een beroemd middeleeuws tegengif, samengesteld uit tientallen kruiden en zo kostbaar datalleen de welgestelden het zich konden permitteren.Sterk ruikende planten werden in vroeger tijden algemeen als desinfecterende middelen gebruikt. Engelwortel, met zijn uitgesproken muskusgeur, was daarop geen uitzondering. De wetenschap heeft de waarde van dit gebruik wel bevestigd. De proeven toonden aan dat de olie van angelica, evenals trouwens van kaneel en tijm, dodelijk is voor verschillende bacteriën. Het branden van de zaadjes op kolen of op een kachelplaat was een oud Engels gebruik waardoor het huis geparfumeerd én ontsmet werd.

 Men kan ook zichzelf reinigen en beschermen door het nuttigen van angelica, althans volgens Beauvillard die een zogenaamd geheim vertelt: "Neem smorgens een aftreksel van Engelwortel, 22 gram voor een 1 liter water.' Diegene die dit geheim recept gebruikte zou 112 jaar geleefd hebben. Wel een eenvoudig recept om geheim tezijn.Ziekten werden vroeger als werk van de duivel beschouwd, of zouden in ieder geval van boze machten afkomstig zijn. Hielp een plant tegen een kwaal, dan diende hij tevens tegen boze krachten. Zodoende werd een bezetene met bladeren van wortel ingewreven.

John Gérard schrijft met ontzag over de uitdrijvende kracht van angelica:'... although tbe corrupt aire have possessed the heart, yet it driveth it out againe. Dodonaeus is meer terughoudend in deze. Weliswaar schrijft hij dat 'dese wortelen oock goet ende krachtigh sijn om alle toverijen, belesinghen ende vervloekinghen vanquade menschen te beletten ...', maar hij neemt het niet voor eigen rekening.

Over engelwortel als maagmiddel was men het algemeen eens. Het Angelicawater, waarin ook korianderzaad was verwerkt, gold als erkend medicijn tegen maagkwalen. Zowel de tot poeder gemalen wortels als thee van de bladeren en stengels werden voor de zieke maag gebruikt. En daar ik het ook nu zeker nog goed voor.Broeder Aloysius, een leerling van de beroemde pastoor Kneipp, raadde engelwortel aan bij maar liefst alle chronische aandoeningen, als daar zijn: wisselkoorts, bleekzucht, zenuwhoofdpijn, zenuwziekten, krachteloosheid, jicht, verslijmde longen,enzovoort. 'Neemt uw toevlucht tot deze wortel, hij werkt uitstekend.' Geen wonder dat een dergelijke panacée als een heilige plant werd beschouwd.

In België en de Nederlanden werd hij wel Heiligen Geestkruid genoemd en in Engeland Herb of The Holy Ghost, zeer tot ongenoegen van Culpeper, die een toornig betoog afsteekt in zijn Complete Herball tegen godslasteraars 'die zich als heidenen en paapsen opstellen' : ' Alas ! I am sorry for their folly, and grieved at their blasphemy. God send them wisdom the rest of their âge, for they have their share of ignorance already.' Hij vervolgt zijn kapittel nog een volle alinea om dan te besluiten met een vermakelijk staaltje Brits zelfvertoon: 'Others more moderate called it angelica ... and that name it retains still, and all nations follow it so near as their dialect will permit.' Over de plant zelf geen kwaad woord, hij noemt meer dan dertig deugden van de engelwortel en vermeld ook het gebruik van geconfijte stelen. 'The stalks or roots candied are good preservatives in time of infection, and at other times to warm and comfort a cold stomach'. Als besluit een meelevend woord van Broeder Aloysius gericht aan alle mensen die last hebben van nervositeit 'Arme zenuwlijders, beproeft eens den Engelwortel, het zal u niet berouwen'. Blijkbaar hadden ze honderd jaar geleden ook al last van zenuwen.

Meer over Angelica https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/angelica-archangelica-aartsengelwortel


donderdag, maart 22, 2018

Navelkruid of Nombril de Vénus

In het vroege voorjaar, eind maart, word ik in Bretagne door Nombril de Venus ontvangen. Nee....ja, gewoon een vettig plantje zeer zeldzaam in België maar in het natte Bretagne vreemd genoeg volop aanwezig. Het ronde blad met een putje in het midden heeft blijkbaar de verbeelding van de Franse en de Nederlandstalige plantenliefhebbers geprikkeld , vandaar de naam Nombril de Vénus en Navelkruid. De Britten die ook in Bretagne volop aanwezig zijn, blijken wat de naam van dit plantje betreft, veel materialistischer aangelegd. Zij noemen het gewoon Penny leaf.

Het blad werd en word vooral in het voorjaar gegeten. Fris in de sla of zo uit het vuistje is zijn licht zure en vettige smaak best te waarderen. Geneeskrachtig is het mogelijk een goede vervanger van andere vettige familieleden zoals Aloë of Huislook. Dus vooral uitwendig te gebruiken: ruwe huid,  schaafwonden, eelt, zonnebrand en dergelijke. Verzachtend en verkoelend.



Noms communs :
Nombril-de-vénus, cotylet, cymballion, cotylédon, gobelet, coucoumelle, oreille-d'abbé, ombilic des rochers
.

Nom latin: Umbilicus rupestris (umbilicus pendulinus).
De la famille: Famille des crassulacées (crassulaceae).
Nom anglais : Penny leaf, penny wort, penny pies.

Nombril-de-Vénus propriétés thérapeutiques et médicinales :
De nos jours, le nombril-de-vénus est surtout employée en usage externe. Les feuilles de cette plante à laquelle il faut enlever l'épiderme sont posées sur les plaies pour les aider à cicatriser. Elles calment de façon agréable et efficace la douleur des brulures.

On a préconisé la plante comme émollient et résolutif sur les tumeurs, les callosités des talons et, dit-on, contre le phimosis (affection douloureuse du prépuce qui, lors de l'érection, ne peut se rétracter derrière le gland du pénis), ulcères, hémorroïdes.

Navelkruid in de oude eik in onze tuin
Principaux constituants :
Les feuilles renferment beaucoup d'eau, du mucilage, des acides organiques, des vitamines et des sels minéraux et de triméthylamine.

Nombril-de-Vénus utilisation traditionnelles vertus :
Le nombril de vénus a eu une grande réputation comme diurétique et pour dissoudre les calculs de la vessie. Au tout début du XX siècle, certains médecins anglais en faisaient grand cas contre l'épilepsie.

Origine :
Le nombril de vénus est une plante grasse, vivace de 10 à 40 cm de hauteur, commune sur les vieux murs et les rochers des terrains siliceux dans le Midi, le Centre et l'Ouest. On la rencontre en Europe occidentale et méridionale, en Asie occidentale et en Afrique du nord.
Ses feuilles épaisses, de forme arrondie, sont nettement déprimées au centre, là où s'attache le pétiole. Glabres, d'un vert vif, facilement cassantes, elles sont recouvertes d'une très fine pellicule.
La tige dressée porte quelques feuilles allongées, rétrécies en pétiole à la base.
Elle se termine par une longue grappe dressée de petites fleurs d'un blanc jaunâtre, à corolle en tube et les fruits verts mûrissent au cours de l'été.

Nombril-de-Vénus utiliser pour les bienfaits sur la santé :
Les plaies, les brulures, les tumeurs, les callosités des talons, le phimosis, ulcères, hémorroïdes.
C'est la plante du randonneur! Pour soulager une ampoule, une inflammation, il suffit de détacher la fine pellicule qui recouvre la feuille puis d'appliquer la feuille sur la zone à soulager (sans percer l'ampoule!). De plus quel régal crues lors de longues randonnées, gorgées d'eau les feuilles sont très rafraîchissantes. C'est une plante qui soulage agréablement et efficacement les petites brûlures et aide les plaies à cicatriser. Elle est efficace sur les callosités des talons (tout pour avoir de jolis pieds cet été). Riche en eau, en mucilages, en fer, en sels minéraux, en vitamines C, en triméthylamine et en tanin, elle est indiquée dans le traitement des furoncles, des plaies, des hémorroïdes ainsi que des ulcères. Dans la plupart des cas, l’on se sert de ses feuilles pour frictionner les parties douloureuses. Sur les plaies, elles s’avèrent particulièrement efficaces pour accélérer la cicatrisation.

A manger:
Les feuilles charnues du nombril de vénus sont excellentes à manger crues ou en salade, tendre, juteuse, et leur saveur acidulée est agréable.

vrijdag, maart 09, 2018

Speenkruid, haneklootjes, getreideregen

Begin Maart kun je ze zeker al bewonderen, de eerste gele speenkruidbloempjes van het nieuwe jaar. Voor mij, het kruid van het vroege voorjaar, deze Ficaria verna. In het verleden werd het plantje nog al eens vergeleken met de Stinkende gouwe, zo noemde Dodoens het Kleine gouwe, een oude Franse benaming is Petite chelidoine en een Engelse naam is Lesser-celandine. Niet verwonderlijk die vergelijking want het zijn allebei planten die, zo vroeg al, mooi fris groen zijn en geel bloeien. Al lijken ze verder helemaal niet op mekaar.

In 1644 schreef Dodoens reeds dat de wortelkens met aanhangende greynkens van het Speencruydt te ghebruycken zijn om de speenen te genesen: want de speenen oft anbeyen met het sap van dit cruydt met wijn oft pisse van den krancken (ja, je leest het goed) ghemengelt zijnde, dikwijls gewassen ende ghenet, worden kleynder ende in een getrocken ende verdroogen heel. 

Mijn kommentaar: een kruid laten trekken in urine van de persoon in kwestie vind ik een boeiende gedachte. En met die 'kruidenthee' als kompres kun je dan je aambeien oftewel het speen behandelen. Een andere oude interessante naam voor het Speenkruid is Haneklootjes, de mensen zagen in de langwerpige verdikte wortels een gelijkenis met de teelballen van een haan. Dat lijkt mij beter getypeerd dan de overeenkomst met aambeien. Volgens de signatuurleer (het uiterlijk van een plant geeft aan voor welke ziekte het kruid gebruikt kan worden) zou speenkruid dus niet alleen goed moeten zijn tegen aambeien maar ook tegen teelbalkwalen of, met enige fantasie, tegen te zwak zaad. Oude kruidenboeken lezen, prikkelt misschien niet direct het lichaam maar in elk geval de geest.

De jonge onder verdord blad te voorschijn komende scheuten van speenkruid zijn nu ook goed te eten. Fijn gesnipperd in de witloofsla bijvoorbeeld. De knolletjes zijn het medicinaal gedeelte van de plant, ze werden traditioneel vooral in melk getrokken om zowel in- als uitwendig tegen aambeien te gebruiken.

In 'Het leven der planten' een boek uit 1902 verklaart Kerner von Marilaun de legende van de ‘aardappelregen’ als volgt. Als de planten afgestorven zijn, liggen de okselknolletjes van speenkruid, die wel wat op hele kleine aardappeltjes lijken, verstrooid op de aarde en onder het vergeelde loof vallen ze nauwelijks op. Maar als er een onweer opsteekt met zware regenval, worden de knolletjes verder los- en schoongespoeld en door het water meegenomen, totdat ze in een rustiger omgeving zich langs de randen van de plassen afzetten. Dat kan in zulke grote hoeveelheden gebeuren, dat je er handenvol tegelijk van kan opscheppen: schoongewassen en klaar voor consumptie. De boeren, die de knolletjes onder het blad niet hadden opgemerkt, maar het onweer wel, dachten, dat de knolletjes uit de hemel gevallen waren. Neilrung noemde dit in 1859 ‘Getreideregen’ (graanregen).

Referenties
A. Kerner von Marilaun. 1891. Pflanzenleben. 2. Geschichte der Pflanzen: 746. Bibliographisches Institut, Leipzig, Wenen.
63. A. Kerner von Marilaun. 1902. Het leven der planten 4: 190 (V. Bruinsma, vert.). Schillemans & Van Belkum, Zutphen.
A. Neilreich. 1859. Flora von Nieder-Oesterreich: 685–686. Gerold’s Sohn, Wenen.

woensdag, maart 07, 2018

Oude recepten

In mijn huisje met diep onder mij glinsterend zicht op de Maasvallei, zittend aan tafel met Googlebook en klein krols (nu slapend) katje naast mij, snuffel ik in oude kruidenboeken op zoek naar vreemde, idiote maar mogelijk ook meesterlijke recepten tegen oude en nieuwe kwalen van de mensheid.

 Om mey dranck te maken

Neemt viij hantvollen alseme (alsem). vi hantvolle grisse (duivekervel) / ende rute (wijnruit) / aueronde (citroenkruid) / matere (moederkruid)
/ cattecruyt (kattekruid) . confiele de greyn (citroenmelisse) / Reynvaen (boerewormkruid) . persebladeren (perzikbladeren) van elcxs een hantvolle ende blutzet altesamen dan soe siedet op derdendel inne in wey van caese ghemaecht oft met bière.

Idem potus latine Recipe Absinthij Mtanipulos] viij fumi terre Mtanipulos] vj abrothani matricarie / nepite / meilisse / tanaceti / rute / foliorum persicorum / ana M[anipulum] j fiat hor decoctio in sero casei : Tegen hoest van cauder naturen oft verborghen couden oft van vervroren winden

Middelnederlandse medische recepten handschrift van de Kartuize te Leuven gekopieerd begin 16de eeuw.

De 95 rubrieken bestaan voor het grootste gedeelte uit voorschriften voor de bereiding van eenvoudige toedieningsvormen (afkooksels in water of wijn) van de meest gebruikelijke en gemakkelijk te verkrijgen simplicia. Voor een twintigtal simplicia wordt geen voorschrift voor een bereiding gegeven en wordt alleen het therapeutisch gebruik vermeld.
De therapeutische indicaties van de recepten zijn deze voor de alledaagse kwalen.
Dit wijst erop dat de voorschriften bestemd zijn voor een eenvoudige huisapotheek zoals men die in een klooster kon aantreffen en waar geen apotheker aanwezig was voor de bereiding van meer gecompliceerde bereidingen.
De kopiist heeft een selectie van simplicia en bereidingen samengebracht uit verschillende
bronnen en ze op basis van hun therapeutische indicatie enigszins gerangschikt.

Remedie tegen alrehande ghebreken der magen

[2] Item dille ghesoden in wijn stercket de mage ende hersenen
[3] Item santorie genvt verteert die quade humoren vuyter magen
[4] Item een coude mage Neemt Cubeben oft dat puluer daer af ghe soden met wyne ende drincke van die
[51 Item Caneel genvt stercket die mage
[6] Item sofferaen es goet den vercouden magen
[7] Item neemt tarwen zeemelen met goeden renschen wijne lange ghesoden ende daer in eenen vullen doeck nat ghemaect ende alsoe weerm opten erop vander magen gheleet
[8] Item Camijn ghenvt in spijse en drancke stercket den mage in verduyngen
[9] Ad idem Comijn ghesoden in wijnne myt venkel sade sterket die sericheyt vanden
magen ende suuerten.

Oude namen van planten

Plantago major
Abrotanum (43) : Artemisia abrotanum L. = Citroenkruid BM 117.
Alseme (43), Alsene (1) : Artemisia absinthium L. = Alsem BM 264.
Anijs (20) : Pimpinella anisumL. = Anijs BM 265.
Aqua petrosa oft calamenta (34) : gedestilleerd water van Calamintha menthifolia
Host. = Bergsteentijm, op de bergen groeiend vandaar ook petrosa H 259-
Aqua saxifera (40) : gedestilleerd water van Pimpinella saxifraga L. = Kleine pimpernel
Cl 318, BM 298.
Arnoglossa (70) : zie Wegebrede.
Averonde (43) : zie Abrotanum.
Berchpley (25) : Thymus serpy>llum L. = Wilde tijm BM 291.
Beuenellen (40) : Pimpinella saxifraga L. = Kleine pimpernel Cl 318.
Beuersyn (30) : Castoreum = Bevergeil G 311.
Camille (74) : Matricaria recutita L. = Echte kamille Cl 320.
Caneel (5, 32, 6l) : Cinnamomum verum J.S. Presl of een andere soort = kaneel
BM 278.
Cattecruyt (43) : Nepeta cataria L. = Kattekruid NB 205, BM 285.
Centaurea (73, 75) : zie Santorie.
Co(a)myn (8, 9, 20, 48, 76, 77) : Cuminum cyminum L. = Komijn BM 280.
Confiele de greyn (43) : Melissa officinalis L. = Citroenmelisse. In het recept 43 in
het Latijn vertaald als «mellisse» HP 183-
Cubeben (4) : PipercubebaL. = Staartpeper BM 281.
Custuca (72) = Cuscuta : Cuscuta epilinum Weihe = Vlaswarkruid BM 269-
Dille(n) (2,45) : Anethum graveolens L. = Dille BM 269-
Distele (10, 57, 58) : Daucus carota L. = Wilde peen BM 269.
Driakelen (1) : Triakel, Theriaca.
Endiuie (78) : Cichorium endiviaL. = Andijvie BM 271.
Epatica (79) : zie Leuercruyt.
Eppe (71) : Apium graveolens 1. = Selderie BM 271.
Esschen boem (11) : Fraxinus excelsior L. = Es BM 271.
Fiolen (86) : zie Violen.
Fumus terre (12, 43) : Fumaria officinalis L. = Duivenkervel H 307, BM 270.
Galanga (82) : zie Galigaen.
Galigaen (13, 82) : Alpinia officinarum Hance = Galanga BM 273-
Goutwort (47) : Chelidonium majus L. = Stinkende gouwe BM 295.
Grisse (43) : Fumaria officinalis L. = Duivenkervel, grisecom in H 307.
Klissien hout (54) : Glycyrrhiza glabra L. = Zoethout NB 178.
Lauwer boem (15) : Laurus nobilisL. = Laurier BM 265.
Le(e)uercruyt (79, 80) : Marchantia polymorpha L. = Steenlevermos Cl 333-
Matere (43, 63) : Chrysanthemumparthenium Bemh. : Moederkruid HP 15-
Matricarie (43) : vertaling in Latijn van Matere in recept 43.
Mellisse (43) : Melissa officinalis L. = Citroenmelisse HP 183.
Me(y)nte (16, 17, 18, 60) : een Menthasoort BM 285.
Musscaten (18, 20) : Myristica fragrans Houtt. = Nootmuskaat BM 288.
Nepite (43) : zie Cattecruyt.
Papelbladeren (59) : Malva silvestrisL. = Groot kaasjeskruid BM 289-
Peperraep (49) : Raphanus sativus L. = Radijs BM 290.
Persebladeren (43) : Prunuspersica (L.) Stokes = Perzik.
Pley (22, 23, 52) : Menthapulegium L. = Polei H 393-
Portseleinen (37) : Portulaca oleracea L. = Tuinpostelein H 412.
Quinque folium (56) : Potentilla reptansL. = Vijfvingerkruid H 422.
Rebarbe(n) (80, 91, 92, 93) : een Rheumsoort = rabarber BM 294.
Reynvaen (43) : Tanacetum vulgare 1. = Boerenwormkruid H 478.
Rose mareynen, rosen marinen (42, 44, 68, 69) : Rosmarinus officinalis L. = Rozemarijn
Ruyt(e), Rute (1, 30, 43, 88, 89, 90) : Ruta graveolens L. = Wijnruit BM 294.
Salige (62) : Salvia officinalis L. = Salie BM 296.
San(c)torie (3, 35, 75) : Centaurium erythraea Rafn. = Duizendguldenkruid H 23.
Scarleyen (92) : Lactuca serriola L. = Kompassla BM 295.
Seduwae(i)r (32, 33) : Curcuma zedoaria Roxb. = Wilde gember BM 296.
Serpentine (31, 54) : Thymus serpyHum L. = Wilde tijm BM 297.
Syndon water (35) : water destillatie van Cydonia oblonga Mill. kweepeer.
Sofferaen (6) : Crocus sativus L. = Saffraan BM 294.
Sporien (36) : Euphorbia lathyrisL. = Springkruid H 251.
Steenbreke (10) : Pimpinella saxifraga L. = Kleine pimpernel CI 318, BM 298.
Sukerei (39) : Cichorium intybus L. = Cichorei BM 301.
Trifera saracenica (92) : bereiding uit het Antidotarium Nicolai.
Venckel (27), Vinckel (69), Venkelsade (9) : Foeniculum. vulgare Mill. = Venkel H
Violen (83), Fiolen (86) : Viola odorata L., V. tricolore. = Viooltjes BM 301?
Vlier (94, 95) : Sambucus nigra L. H 445.
Wegebrede (70) : Plantago major L. = Grote weegbree BM 268.
Wijt alsene (1) : Artemisia absintbium L. = Alsem HD lr°.
Ysope (14, 41, 50) : Hyssopus officinalis L. = Hysop BM 277.
Zeduwair (6l) : zie Seduwaer.

dinsdag, februari 27, 2018

Winterse klimop

Zelfs in de ijzige koude van dit wintermoment blijft de klimop stoïcijns groen. Klimop in deze tijd een ordinaire,woekerende grondbedekker, was ooit een plant met spirituele betekenis. Hoe kunnen planten door de eeuwen heen zo een totaal verschillende waarde krijgen?

In de Oudheid was de klimop toegewijd aan de goden Donar en aan Bacchus. Beide goden hanteerden de bliksem als bewijs van manlijke kracht. Bacchus draagt een klimoprank om zijn staf en om zijn hoofd. Bij de Litouwers heet de klimop Perkunas naar de dondergod Pehrkon. Ook Alexander de Grote kroonde zichzelf met klimop bij de terugkeer van zijn tocht naar Indië. Trouwens veel meer goden en andere mannetjesputters lijken klimop wel als symbool voor macht en kracht beschouwd te hebben.

Volgens de mythologie zou de klimop dan ook goddelijke vermogens geven, in de eerste plaats die van helderziendheid en profetie. Wie een krans van klimop droeg, kon de heksen herkennen, zegt het middeleeuws volksgeloof. Het is ook merkwaardig, dat de klimop bij de liederlijke god Bacchus vaak voorkomt in gezelschap van de wijnstok en bij alle gelegenheden waar wijn gedronken wordt. Boven de herbergdeur hing in vroeger tijden een klimoprank of een eikentak. Men beweerde dat klimop de drinker tegen dronkenschap beschermde, zij maakte de wijn onschuldig. Zou klimop het kruid tegen een kater kunnen zijn? Toch maar niet proberen, klimopthee kan omwille van zijn zeepstoffen zeer irriterend zijn.

Meer over klimop. https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/64288-klimop-de-mythische-klimmer.html en https://sites.google.com/site/kruidwis/planten-van-a-tot-z/hedera-helix-klimop-1


woensdag, februari 07, 2018

Lezen over wandelen.

Frédéric Gros doceert filosofie aan de universiteit van Parijs en is de auteur van ‘Wandelen. Een filosofische gids’ (‘Marcher. Une philosophie’). 

Voor Frédéric Gros is wandelen alvast geen sport. Wandelen is het tegendeel van prestatiegericht lopen. Wandelen koestert traagheid en eentonigheid, het zoekt de eenzaamheid op, bevordert de dialoog tussen lichaam en ziel, en confronteert ons met onze eigen nietigheid en met de eeuwigheid van het landschap. Het is een daad van vrijheid, meer zelfs, van rebellie. Fréderic Gros lijkt gefascineerd door wandelaars die afstand doen van bijna alles en dat tot het extreme doordrijven, zoals de lung gompo, de boeddhistische monnik die in trance door het landschap scheurt. Hier zijn we natuurlijk ver uit de buurt van de zondagswandelaar die ter ontspanning een uurtje of twee de benen strekt.

Frédéric Gros wisselt beschouwingen over aspecten van het wandelen af met korte biografieën van beroemde wandelaars. Zo is er de bergwandelaar Friedrich Nietzsche, die een vrij uitzicht nodig had om te kunnen denken. Bij Rimbaud was er sprake van woede en vluchtgedrag. Op zijn doodsbericht stond toepasselijk
“Geboren in Charleville, overleden op doorreis in Marseille’". Jean-Jacques Rousseau wandelde om de eerste mens in zichzelf te vinden, op de vlucht als hij was voor agressieve vijandigheid en babbelzieke broederschap. Voor de Amerikaan David Thoreau, een groot wandelaar in een land waar zich te voet verplaatsen uiterst verdacht is geworden, kent het wandelen slechts één richting: het Wilde Westen. Immanuel Kant zocht in de dagelijkse wandeling de rustgevende regelmaat, Gérard de Nerval de melancholie, en voor Ghandi was een protestwandeling een uiting van geweldloos verzet, verbonden met een ideaal van onthechting, mystiek en vrijheid. Wandelen verbindt tegengestelde types als de ongebonden Griekse cynische filosoof en de gelovige Middeleeuwse pelgrim. Maar altijd is er het idee van bevrijding uit het maatschappelijke keurslijf, de gevangenis van het bewustzijn en het lichamelijke immobilisme. Wandelen maakt nederig, confronteert ons met onze zwaartekracht en verzoent lichaam en ziel in een rustgevend ritme.

Frédéric Gros is een filosoof en een Fransman. Zijn voorbeelden zijn ruim gekozen maar overwegend Frans, al vindt hij de romantische dichter Wordsworth de eerste moderne wandelaar. Zijn taal is bij momenten bewogen en stimulerend, maar soms wat geëxalteerd. Het beeld van de wandelaar op zoek naar “een oeroude levensstroom” hoort wellicht bij een vermoeide Parijse professor die netwerkend op recepties de bevrijding van maatschappelijke dwang en ‘identiteit’ ophemelt. En soms wordt hij zéér opgewonden: “Zo zijn we een dier op twee poten dat voortgaat, niet meer dan zuivere kracht tussen de hoge bomen, niet meer dan een kreet. En je slaakt vaak een kreet onder het wandelen om blijk te geven van je herwonnen dierlijke bestaan.” Slaakt u ook vaak kreten als u wandelt? Ik in elk geval wel. Al zijn het ook wel eens inwendige kreten.

maandag, januari 15, 2018

Winterse plantenkracht

Wolfsmelk wordt hij genoemd. Stoere winterse kracht zoals hij daar glimmend staat op dat stort- en pisplekje in de Lespagnestraat  van Hastière. Om jaloers op te zijn, niet op dat onderkomen groeiplekje maar wel op zijn overlevingskracht. Deze kruisbladige wolfsmelk herinner ik mij vooral van veel vroeger uit de groentetuin van mijn ouders. Hij groeit graag op wat zwaardere verstoorde grond en omdat hij de reputatie had om mollen uit de tuin houden, werd hij gedoogd in de propere groententuintjes van vroeger.

Wolfsmelksoorten bevatten allemaal wit melksap dat enigszins giftig is, soms zelfs dodelijk giftig en daar heeft hij dan ook zijn naam wolfsmelk aan te danken. Melk zo gevaarlijk als een wolf.  Dat planten met wit, giftig en irriterend melksap ook in magische rituelen en heksenzalven gebruikt geweest zijn, hoeft ons niet te verwonderen. Giftig en opvallend sap heeft altijd tot de verbeelding gesproken.

De wolfsmelksoorten worden in het Latijn Euphorbia ge­noemd en volgens Plinius is deze naam afgeleid van Euphorbius, de lijfarts van koning Juba II, koning van Mauritanië die rond 50 voor Christus leefde. Deze arts nam al proeven met wolfsmelk om te zien op welke wijze deze plant in de geneeskunde gebruikt zou kunnen worden. Een andere verklaring voor de naam is dat deze een samenstelling is van de woorden eu = goed en pherbos = voeden. Het gedroogde melksap werd in vroeger eeuwen namelijk ook gebruikt ter genezing van tbc-patiënten Tot een tiental jaren geleden werd onder de naam eu-phorbium nog wel gedroogd melksap in de apotheek verkocht.

Dodonaeus vermeldt nog dat 'De goochelaars en bedriegers van bedelaars plegen hun aanzicht en ganse huid met dit sap te bestrijken om melaats of melaats te schijnen, maar wachten zich wel dat ze dat er niet lang op laten blijven'. Medelijden opwekken door er ziek of onderkomen uit te zien, helpt dat nu nog?







zaterdag, januari 13, 2018

Eindwerken en vogelmuur

Als voorbereiding op mijn betalende blog 'KruidMail', heb ik nog wat gerommeld in de eindwerken van mijn studenten van de opleiding herborist. Jammer toch dat deze werkjes nauwelijks bekend zijn. Het zou toch fijn zijn voor zowel de lezers als de schrijvers dat de kruidenwerkjes niet verborgen blijven in kartonnen dozen maar via de o zo makkelijke digitale netwerken verspreid worden.

Hierbij een willekeurige, kriskras te voorschijn komende eindwerken uit de oude en uit de nieuwe dozen: Theriak van Diane De Wit, Nepeta cataria en andere kattenkruiden van Marleen Aerts, De cacaoboom van Leen Engels, Vogelmuur van Ann Vanermen, Klassekruiden van Yves Vanhoebroeck, Magische planten en rituelen van Micheline Casteels, Wilde groenten van Rita Baele.........

Een recept voor een vogelmuurpesto uit een van de werkjes. Ook nu in januari is verse vogelmuur te vinden.

  • 50 gr verse vogelmuur
  • 1 eetlepel geroosterde pijnboompitten of andere zaden en noten
  • 1 teentje knoflook of probeer eens een daslookknolletje
  • 2 eetlepels olijfolie


Doe alles in een kom, maak het fijn met staafmixer of iets dergelijks. Te verorberen op een geroosterde boterham, bij deegwaren of bij tomaat-mozarella.

vrijdag, januari 05, 2018

Plantes médicinales, d'ici ou d'ailleurs

Inheemse planten, groeiend langs wegkanten en bosranden, zijn de eenvoudigste, de meest herkenbare, de handigste en de goedkoopste medicijnen voor de mens. Mijn verwondering en bewondering voor ‘gewone’ planten is groot. Hoe is het mogelijk dat zoiets vanzelfsprekend als een paardenbloem zo bijzonder kan zijn? En bijzonder is deze Taraxacum officinale toch wel. Het bijzondere van het gewone, het vertrouwde, is dat niet genezend op zich? Ook de groeikracht en aanpassingsvermogen van onze pisbloem, onze weegbree en onze brandnetel spreken tot de verbeelding, het zijn kwaliteiten die zeer nuttig zijn voor de plant zelf maar ook voor de mens en de mensheid.

Wat betreft voedingswaarde en geneeskracht krijgen deze planten ook steeds meer betekenis, zeker in deze tijd van het `steeds verder gaan zoeken'. Paardenbloem is toch zeker zo veel waard als Cats Claw, Una de Gato, Morinda, Kava-Kava, gojibes en andere tropische beroemdheden. Met alle respect voor deze eerbiedwaardige planten.

Om al deze redenen vind ik het boek 'Plantes médinales, d'ici ou d'ailleurs' van Michel Dubray' zeer interessant. De schrijver vergelijkt medicinaal een populaire tropische plant met een Europese plant. Zo vergelijkt hij Aloë met huislook, spirulina met brandnetel en de gojibes met de rozenbottel.

Les plantes médicinales exotiques détrônent nos plantes locales : l'aloès est préféré à la joubarbe, la baie de Goji au cynorrhodon, la spiruline à l'ortie... La mode a été au ginseng, au kawa-kawa, puis au yam, à l'argan, au rhodiola, et aujourd'hui la grenade ou le chia arrivent en force.

Chaque année apporte sa nouveauté que le consommateur s'empresse d'adopter avec enthousiasme. Et pourtant, hormis l'attrait de l'exotisme et la promesse d'une action rapide due à de fortes concentrations en principes actifs, cet engouement ne se justifie pas toujours d'un point de vue thérapeutique.

A travers l'étude comparative de 14 couples de plantes essentielles - une plante locale comparée à une plante exotique aux effets similaires -, Michel Dubray remet en question cette médication. Il rappelle que pour se soigner les hommes ont nécessairement utilisé les plantes avant de connaître les propriétés de leurs constituants. La nature, la saveur, l'odeur, la forme, la texture ont été autant de critères systématisés au fil du temps par les plus grands praticiens (Hippocrate, Galien, Paracelse) pour déterminer la valeur thérapeutique d'une plante.

S'il est fidèle à une certaine tradition, Michel Dubray est également imprégné des (re)découvertes les plus récentes. Il sait pertinemment que plus l'homme et la plante subissent des contraintes identiques (géophysiques, climatiques, etc), plus l'utilisation médicale de la plante sera efficace. Ainsi, pour un habitant de nos climats tempérés, la prêle devrait être préférée au bambou, la camomille au boldo, la sauge au soja.

L'auteur Michel Dubray
Herboriste, nutrithérapeute, formateur, fondateur de L'Univers des Simples et d'une école d'herboristerie (2014), Michel Dubray se bat pour une reconnaissance du métier d'herboriste et pour la réhabilitation de plantes indigènes. Il est l'auteur du Guide des contre-indications des principales plantes médicinales (Lucien Souny, 2010).

maandag, januari 01, 2018

Guido Gezelle over de berk


Point de vue in Bonsoy: berk en Maasvallei
 ‘k Groete u, wit als molkenroom,
in den bossche en achter strate,
‘s zomers, ‘s winters, vroeg of late,
     bleekgebolden berkenboom!

     Edeldrachtig houtgewas,
‘s zomers laat ge uw' teere takken,
hangend haarwijs, ommezwakken,
     of ‘t een spruitend water was.

     Lijzig door uw hoofdgewaai,
ruischt het dan, of, in uwe armen,
honge een' bende bie'n te zwarmen,
     rustloos, in den zonnelaai.

     ‘s Winterdaags, alhier aldaar,
om uw' blanken hals en rugge,
zwart gelijk een meuzievlugge,
     zwiert uw schudderachtig haar.

     Reuzen zijn de boomen dan,
die malkander, bloot van armen,
slingervuisten, dat men ‘t karmen
     heinde en verre hooren kan.

     Daar noch eek noch essche en wast,
hooge in ‘t noorden, hoore ik melden,
‘t land der skandinaafse helden,
     staat gij, rotse- en wortelvast.

     ‘s Scheemans roede en ‘s boden staf,
‘t heidensch recht- en vredeteeken,
esschen hout en was ‘t, noch eeken:
     ‘t was uw' berken borst, die ‘t gaf.

     "Berk," zoo hiet de noordsche B,
een der zestien ruinenstaven,
die, onroomsch, te weten gaven
     wat ons voorvolk dacht en dee.

     Schald, die wijsheid wist, hij nam,
eer hem pergamenten blâren,
of papier, berijmbaar waren,
     uwen bast, o berkenstam.

     ‘t Schamel daaglijksch-broodgenot
spaart de berk u, bezembinders.
"Spaart den berk, gij haat uw' kinders,"
     leert u, ouderen, ‘t Woord van God.

     Weg en woonstede opgefrischt,
maakt den berkmei torreveerdig:
morgen draagt men ‘t Hoogeerweerdig
     om den dorpe en... kermesse is ‘t!

     Daarom heffe ik, overwaar,
komende in den bossche u tegen,
of omtrent des Konings wegen,
     u den hoed, o berkelaar!

Guido Gezelle vertelde in zijn gedicht "Betula Alba" over het schrijven op de bast van berk in plaats van op papier en perkament. Zo vond in het middeleeuwse Noordwest-Rusland, rond de stad Novgorod, een levendige correspondentie plaats op stukjes berkenbast. Raadsels, liefdesbrieven en huwelijksaanzoeken werden in een nat stukje berkenbast gekrast. Het leken wel e-mails, of "b-mails" zoals de onderzoekers ze noemden.

Heel andere koek zijn de "Senior Rollen van het boeddhisme". Van deze berkenbastvellen wordt aangenomen dat ze ca. 2.000 jaar geleden geschreven zijn door monniken van het oude Gandhara (nu Noordwest-Pakistan). De manuscripten met de leer en poëzie van Boeddha werden in 1994 in prima conditie gevonden in Afghanistan, verstopt in aardewerken potten. Zulke potten werden meestal gebruikt voor het opslaan van voedsel of voor het plaatsen van kleine giften in het graf.

zondag, december 17, 2017

Look zonder look

Goed plantengezelschap in de winter is look zonder look. Ook op onze wandeling in Weris vonden we de groene glimmende bladeren langs hagen en bosranden, maar zover moet je niet lopen om te genieten van deze plant, want hij is overal wel te vinden onder hagen en bij bosranden.

 Look zonder look is de merkwaardige Nederlandse naam die al eeuwen wordt gebruik voor deze bescheiden, wit bloeiende plant . De plant is tweejarig, het eerste jaar maakt hij een wortelrozet met ronde bladeren, het tweede jaar schiet hij op tot 1 meter hoog. De bladeren  reuken subtiel naar look. Maar het is botanisch geen echte look. Vandaar die typisch Nederlandse naam: Look-zonder-look; de plant ruikt naar Look, maar bezit geen ondergronds lookbolletje. De naam die al in de 16de eeuw door Dodonaeus aan de plant werd gegeven, is zo kenmerkend dat er maar heel weinig andere volksnamen van de plant bekend zijn. Ook de wetenschappelijke naam duidt op de geurverwantschap met de look, Alliaria petiolata.  Alliara is een afleiding van Allium, de wetenschappelijke naam voor het geslacht Look;  petiolatus betekent gesteeld en heeft betrekking op de gesteelde bladen  van het wortelrozet. Dit is uitzonderlijk omdat de bladeren van een wortelrozet meestal ongesteeld zijn. Vroeg in het voorjaar schiet de plant door en maakt dan kleine, witte bloemen.

Tot omstreeks 1950 was de Look-zonder-look  beperkt aanwezig in ons land. Het is opmerkelijk, dat de soort zich sindsdien sterk heeft uitgebreid. En nu een zeer algemeen kruid is langs bosranden en in boomrijke tuinen. Het is bijzonder geschikt om het te laten verwilderen in de schaduwrijke hoekjes van een tuin of bij de composthoop. 

Look-zonder-look werd vroeger aangewend als middel om zweren te laten rijpen, ingewandswormen te lijf te gaan en als bloedzuiverend middel. De niet meer in gebruik zijnde naam Alliaria offïcinalis, uit of van de apotheken, duidt op deze medicinale werking. Simon Pauli zei al in 1666 ‘qu’elle déterge et modifie les ulceres putrides et sordides’. En mijn Franse herboristenvoorbeeld Dr. Leclerc zag goede resultaten bij de behandeling van ‘gelures ulcereux’. Dus tegen bevriezing. Het verse blad ging de ettering tegen en stimuleerde de aanmaak van huidweefsel. Maar ook bij impetigo (krentenbaard)  maakte Leclerc er gebruik van.

Volgens de ethnobotanist Lieutaghi heeft het blad een ontsmettende werking en kan het vooral vers in het voorjaar bij verkoudheid en bronchiale problemen als slijmoplossend middel gebruikt worden.  De ontsmettende mosterdolieglycosiden in de plant zullen daar niet vreemd aan zijn. Hij is wat werking betreft dan ook te vergelijken met mierikswortel en knoflook maar minder sterk.
Bij keelpijn en heesheid zou je het kunnen combineren met ons zangerskruid bij uitstek de Raket, Sisymbrium officinale.

Ook werd de plant gebruikt als toekruid om aan de maaltijd een knoflook-aroma te geven. Niet alleen in Nederland en België, ook elders in Europa; de Duitse naam Lauchkraut en de Engelse naam Hedge Garlic wijzen hier duidelijk naar. Wie vergeten heeft om bij de groenteboer een knoflookje mee te nemen, weet dus de weg om dit verzuim goed te maken. Even op zoek naar een paar blaadjes Look-zonder-look in de beschaduwde wegberm of langs de bosrand en de maaltijd is gered. Al is de smaak toch wat aan de flauwe kant. Maar culinair verbergt onze Look zonder look nog wel enkele andere smaakjes. Zo proeven de zaden scherp mosterdachtig, met heel veel moeite zou je er een soort mosterd kunnen van maken. Dit werd ten andere al in 1552 door een zekere Tragus geadviseerd. De wortel ruikt dan weer naar rapen, maar is nogal vezelig om zo maar op te snoepen. Je kan hem wel  laten meetrekken in  een groentesoep of ragout.

En het laatste onderdeel van de plant dat we kunnen gebruiken zijn de witte bloemen, die vooral in de salade en op een boterham met platte kaas te genieten zijn. Nu niet denken dat Look zonder look het nieuwe wondermiddel is, de werking is beperkt maar toch een gezonde, verse en gratis aanvulling uit de tuin der natuur. 


  • The Really Wild Food Guide. Recepten oa Look zonder look couscous balletjes 
  • Pierre Lieutaghi. Le livre des bonnes herbes. Actes sud. 
  • Grieve. A Modern Herbal. Penguin 1984 ISBN 0-14-046-440-9
  • Rudat KD. Antibiotic action of substances in higher plants, particularly in Alliaria officinalis and other leeklike plants on Bacterium pyocyaneum. J Hyg Epidemiol Microbiol Immunol. 1957;1(2):213-24.

zaterdag, december 16, 2017

Winterwandelen

Onze twintigste wandeling in het Waalse megalietendorp Weris. Dus niet alleen een kruidenwandeling. Toch zijn er ook veel planten te ontdekken. Veel blote bomen zijn juist in de winter bijzonder. Bij onze afspraakplaats aan de kerk staat een stevige notenboom Juglans regia, nu te herkennen aan de grove stam en grillige takken maar voor mij nog meer herkenbaar aan de half vergane bladeren met hun karakteristieke geur. De smurrie op de grond is bijna een papcompres op zich. Je zou het zo bij nat eczeem op de huid kunnen plakken.

Maar we willen wandelen en niet alleen een toertje rond de kerk. Toch staat hier bij de kerk ook een mooie lindeboom. De zaadbolletjes met de 2 schutblaadjes zijn nog duidelijk zichtbaar. Verderop richting Oppagne vinden we onder een meidoornhaag de klassieke eetbare wilde planten: look-zonder-look en vogelmuur. En nog 10 stappen verder op een oude muur de al even klassieke planten voor dit stenig biotoop: steenbreekvaren, eikvaren en huislook. Niet de bekendste medicinale planten maar zeker allemaal planten met een verhaal.

We wandelen stevig verder tussen kale velden en graslanden richting Oppagne. Ons doel de dolman van Oppagne. Geflankeerd door 4 stoere eiken blijft dit oeroud monument voor controverse zorgen. Een mythische plek voor de enen, een hoop gestapelde stenen voor de anderen. Begraafplaats of smartphone van duizenden jaren geleden?

Niet alleen magische stenen maar ook een magische plant is hier overal overvloedig aanwezig. De maretak, vogelijm, Viscum album, parasiterend in de kale bomen valt hij juist in de winter glimmend geelgroen op. Hij tart de zwaartekracht, groeit tegendraads, niet van onder naar boven zoals een fatsoenlijke plant betaamt maar bolrond alle kanten uit. Niet alleen naar de zon maar ook naar de aarde. Chaotische orde. Een plant dus om orde in de menselijke chaos te brengen. Een gezwel dat gezwellen kan genezen. Geen plant om op te eten maar om er onder te staan. Een amulet.

Over Viscum album https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/viscum-album-maretak-vogellijm

dinsdag, december 12, 2017

Oppagne bij Wéris

Wat voorbereidingen voor onze zoveelste wandeling bij de menhirdorpen Wéris en Oppagne. Ik ontdek op internet interessante info uit het boek van Jean Marie SEBILLE, Histoires du village d’ Oppagne. Volume I. Geschiedenis van Oppagne. Niet direct informatie over planten maar wel over de dolmens van Oppagne en Wéris.

Menhirs van Oppagne
EMILE TANDEL (Les Communes Luxembourgeoises, 1892) verklaart de etymologie van de naam Oppagne als volgt. O, ob, op betekent “rivier”. Op kan ook verwijzen naar de helling van een heuvel. Pagne of page komt
van het Latijnse pagus, wat “dorp, bourg (Fr.)” betekent.
In prehistorische tijden was de streek rond Oppagne ingenomen door de Keltische stam van de Poemani. Tijdens het derde millennium vóór Christus richtten zij een aantal megalithische bouwwerken op. Deze stenen uit de omgeving van Oppagne vormden samen met die uit de omgeving van Wéris een en hetzelfde geheel.

Les trois menhirs d’Oppagne bevinden zich op een hoogte van 287m en werden voor het eerst in 1888 opgemerkt. Ze zijn gemaakt van zogenaamde ‘puddingstenen’ die minstens 1600m verder uit de buurt werden aangevoerd. De grootste van de drie heeft een hoogte van 3,20m, een breedte van 1,20m en zit 1,44m diep in de grond. Hij weegt meer dan 9 ton.

De Dolmen van Oppagne bevindt zich op een hoogte van 277m. Hij bevindt zich op 200m afstand van de oude Romeinse weg richting Oppagne. Het monument is 9,90m lang en 4,60m breed. Men heeft bij onderzoek de resten van negen lichamen gevonden. Waarschijnlijk zijn het de doden van de Gobelet-stam, die hier omstreeks 2500 v.C. leefde.

JM SEBILLE eindigt dit hoofdstuk met twee artikels. Les dolmens de Wéris maîtrisent-ils les forces telluriques nocives? (uit : Avenir de Luxembourg Plus, 9 november 1989) zet uiteen hoe de prehistorische grafmonumenten niet toevallig op deze plekken werden gebouwd maar dat de bouwers rekening hielden met de loop van bepaalde tellurische, i.e. tot de aarde behorende, energielijnen, die onder andere het mummificeren van de doden in de hand werkten. Er is ook sprake van magnetische, geneeskrachtige en het lichaam regenererende energielijnen.

Een ander artikel uit hetzelfde blad (25 mei 1990) Inquiétude dans les chaumières: y a-t-il un druide à Wéris? vertelt over Renaat De Jonghe, ex-leraar van Vlaamse of Nederlandse afkomst, die lid is van de Order of Bards, Ovates and Druids en de Cercle du Blanc Caillou. De man ging op zoek naar de energielijnen die de monolieten in de streek met elkaar verbinden. Als een nieuwe druïde trekt hij geregeld de bossen in om er in de nabijheid van (zogenaamde) menhirs allerlei rituelen en bezweringen uit te voeren.

Puddingsteen of poddingsteen / Conglomeraat

Menhirs bij dolmen van Oppagne
De megalieten van Wéris, de dolmen en menhirs, bestaan allemaal uit de lokale puddingsteenrotsblokken. Als u deze rots van nabij kunt bekijken dan lijkt het wel een soort beton van kiezelstenen in cement. En inderdaad, het is een soort natuurlijk beton dat "puddingsteen" wordt genoemd. Deze rots is een zandsteenconglomeraat miljoenen jaren terug gevormd met donkere en bleke rolkeien van kwartsiet ... aaneengeklit in een fijne maar harde zandmassa van het strand van een al lang verdwenen prehistorische zee.

Op een hogere gelegen heuvelhelling ten oosten van Wéris ligt een harde laag conglomeraatbank, puddingsteen. Door de werking van de aarde over de miljoenen jaren heen, aardbevingen, erosie,...  kwamen er barsten in de bank, zijn sommige rotsblokken uit de bank losgekomen en weggegleden. Zo'n 5.000 jaar geleden bedacht de mens dat die rotsblokken toch wel ideaal waren. Ze zochten naar de juiste steen, versleepten die tot op de juiste plek en plaatsen de menhirs en bouwden er megalieten mee.

Puddingsteen is een ontzettend moeilijk te bewerken steen omwille van zijn hardheid. Het is dankzij deze hardheid dat de megalieten de tand des tijd, de vernielzucht en de recuperatiedrang van de mens heeft weerstaan. De plaatselijke gebouwen werden vooral met natuursteen zoals zand- en kalksteen opgetrokken.
En toch is er een tijd geweest dat hier een steengroeve was. Van 1866 tot WOI werd puddingsteen hier op industriële wijze gewonnen. De stenen werden in rechthoekige blokken of in halve cirkels gehouwen. Vervolgens werden ze op stevige en brede karren vervoerd, getrokken door tien tot veertien paarden, naar het station van Barvaux sur Ourthe. Van hieruit bracht de trein ze naar Luik of naar het Franse Lotharingen, waar ze als vuurvaste bodems gebruikt werden in de hoogovens.

Dit deel van de streekgebonden industriële geschiedenis werd beschreven door Joseph Bernard in "Exploitation des carrières de poudingues de la Plate à Wéris", artikel verschenen in het trimestrieel tijdschrift "Terre de Durbuy" nr 29 (maart 1989).

vrijdag, december 01, 2017

Instanthoestsiroop

Hoestsiroop in de sneeuw
Midden in de nacht. Wakker worden van een helse hoestbui. In allerijl een anti-hoestmiddel gefabriceerd. 
Wat heb ik in huis? Tinctuur van vlierbessen en tinctuur van kaasjeskruidbloemen, van elk een soeplepel bij mekaar gegooid samen met een lepel vloeibare honing. Goed roeren en mijn instanthoestsiroop is klaar voor gebruik.  Snel een koffielepel naar binnen gewerkt en.... het leek nog te helpen ook.


Over kaasjeskruid / Malva
Het Latijnse Malva komt van het Griekse malakos: verzachten, of het Griekse malassoo: week maken, een verwijzing naar het verzachtende slijm van de zaden. Bij de ouden heette het malue,  waar een u voor v staat. van Beverwijck, ‘zo genoemd naar de Latijnse naam Malva die wederom komt van het Griekse Malacha alsof men zei verzachtend, waarom ze ook bij dezelfde Grieken Akopos, dat is pijn stillend, genoemd wordt’.

Een andere oude naam Peppel of pappel komt van het gebruik om te pappen op brandwonden en verzachtende werking op de verharde slijmvliezen. Varro verhaalt dat priesteressen van Apollo in Rome de voeten met deze zalf insmeerden en dan op blote voeten door de kolen liepen. Zo ook schrijft Magnus dat de magiërs er hun handen mee insmeerden en dan allerlei dingen uit het vuur konden halen.

Deze plant werd zo gebruikt in lang vervlogen, donkere tijden. Als men toen beschuldigd werd van een misdaad kon men een beeld van schuld of onschuld verkrijgen door een oordeel. Personen van zwakke gezondheid of licht gestel, vooral monniken en schrijvers, waren vrij gesteld van de normale methode van een gevecht. Die konden hun onschuld aantonen door een gloeiende ijzeren staaf vast te houden. Dat gebeurde in de kerk. De verdachte, hij kon vrienden bij zich hebben, werd beschermd door zijn handen te bedekken met een dikke laag van een substantie die hem toestonden de hitte te weerstaan. Deze zalf werd in de 13de eeuw beschreven. Het sap van de Malva en de slijmige zaden van een soort vlooienzaad samen met het wit van een ei werden gemengd, de handen waren daarmee even goed bedekt als met een paar handschoenen.

Uitproberen van die anti-brandzalf is op eigen risico. Instanthoestsiroop maken is zonder risico.