maandag, juni 23, 2025

Génepi, een mythische plant

Een merkwaardig plantje, dat ik een groot deel van mijn herboristenleven niet gekend heb, is de Génepi. Een plant en een drank die vooral bij de Alpenbewoners een grote reputatie had en nu nog steeds heeft.

Deze Artemisiasoort, verwant aan Alsem, Bijvoet en Dragon, groeit hoog in de bergen, meestal boven de 2000 m, dikwijls bij een andere mythische plant de Edelweiss. Ze groeien vooral op droge zonnige plekken, waarbij ze overdag zeer hoge en 's nachts zeer lage temperaturen moeten verdragen. Ze hebben zich dan ook helemaal aangepast aan de moeilijke omstandigheden door onder andere een sterke beharing op het blad te ontwikkelen. Om zich te beschermen tegen de wind blijven ze ook klein en zoeken beschutting achter keien en steengruis.

Génepi en de koude

De Génepi, die zich zo goed tegen de kou kan beschermen heeft dan ook een grote reputatie tegen verkoudheid en zijn gevolgen. De ‘coup de froid’ noemden de bergbewoners deze aandoening. De betekenis en het gevaar van de 'coup de froid' is wel groter dan van een simpele verkoudheid zoals wij die in de lage landen kennen. Bij de extreme koude hoog in de bergen, de grote armoede en het geïsoleerd leven van vroeger was het levensgevaarlijk om verkouden te worden. Zoals door de montagnards werd gezegd: ‘ La chose dont on mourait le plus, c’est la poitrine, l’aggravation des coups de froid, ça donnait des pneumonies, des pleurésies, des choses très graves. En tegen de koude moest er warmte gebruikt worden. De weerstand moest verhoogd worden. We zouden dat nu kunnen vertalen, als het versterken van het immuunsysteem.

De soorten Génepi

Merkwaardig is ook dat onder de naam Génepi in verschillende valleien andere planten gebruikt werden. Het zijn voornamelijk Artemisiasoorten maar ook Achilleasoorten die bekend zijn als Génepi. De Alpenmensen weten dikwijls ook dat het verschillende soorten zijn maar ze gebruiken de plant die in hun vallei het meeste voorkomt. Ze spreken dan ook over Génepi jaune, Génepi noire, génepi male en génepi femelle om de verschillen aan te geven. De naam Génepi verwijst dan ook meer naar hun gelijkaardige medische werking dan naar hun botanische overeenkomst.

  • Artemisia mutellina of umbelliformis is meestal bekend als Genépi blanc of jaune, wordt nu ook het meest gekweekt
  • Artemisia génepi is Génepi noir.
  • Achillea nana werd ook wel Genepi blanc genoemd, is ook bekend als Genpi batard, dus de bastaardgenepi.
  • Verder worden ook Artemisia glacialis, Artemis spicata, Achillea atrata en Achillea moschata als Genépi gebruikt

Gemeenschappelijk zijn hun groeiomstandigheden, maar voor een gedeelte ook hun chemische samenstelling. Ze bevatten vooral etherische olie en bitterstoffen, ruiken dus allemaal sterk en smaken bitter.

Veel laaglanders, zal ik ze maar noemen, kennen wel de naam Génepi maar dan wel van de likeur. Het plantje zelf, vind ik regelmatig in de Franse Alpen in de buurt van hogere cols of op de crêtes. Maar ik wordt er ook mee geconfronteerd in de berghutten, waar het mij regelmatig aangeboden wordt. Ik moet dan ook oppassen, om niet dronken de bergen in te wandelen.

Génepi, mythische plant

Er is geen andere plant die zo een grote volkse reputatie heeft en toch zo weinig officieel onderzocht en herkend werd. Zelfs in de oude kruidenboeken vind je niets terug van de génepi. Het is pas in 1734 dat Lémery het vermeld als ‘le spécifique des fausses pleurésies’ en Fournier in 1947 schrijft dat het lang gebruikt werd dor de bergbewoners ‘pour provoquer la sudation dans les maladies aiguës’.

Génepi is hét voorbeeld van een mythische plant, die thuis hoort bij de bergbewoners en door hen alleen gevonden en gebruikt werd. Een plant met een symbolische, bijna sacrale betekenis. Een plant met een geheim dat alleen ingewijden kennen. ‘Le génepi, c’est différent des autres plantes’. Vous savez le genépi, il faut le connaitre pour le trouver’. En inderdaad, voor de génepi moet je lichamelijk en geestelijk fit zijn om hem te vinden en te gebruiken. Génepi vraagt dat je een natuurlijk ritueel ondergaat.

Bronnen en referenties

donderdag, juni 19, 2025

Monografie: Achillea millefolium

Duizendblad heeft een 2000 jaar oude traditie als medicinale plant en wordt op diverse manieren gebruikt vanwege zijn krampstillende, ontstekingsremmende en spijsverteringsbevorderende eigenschappen.

Botanie / Plantkunde

Duizendblad is een meerjarige plant uit de madeliefjesfamilie met een kruipende wortelstok en bereikt een hoogte van 20-80 cm. De twee- tot drievoudig geveerde, diep ingesneden bladeren geven de plant zijn botanische naam, millefolium. Talrijke kleine bloemhoofdjes vormen dichte, witte tot lichtroze schermbloemen. Het geslacht wordt als zeer divers beschouwd en omvat, afhankelijk van de taxonomische classificatie, ongeveer 85-140 soorten (waaronder A. ptarmica en A. nobilis). Als stikstofminnende plant die voorkomt in weilanden, op taluds en langs wegen, is het bijna overal te vinden,  Kenmerkende eigenschappen om het te onderscheiden van gelijkende soorten zijn de typische geur die vrijkomt wanneer de fijn geveerde bladeren worden gekneusd.

Geschiedenis en traditie

Al sinds de oudheid wordt duizendblad gewaardeerd als een kruid met wondhelende eigenschappen. Plinius de Oudere noemt millefolium / achilleos expliciet als een middel tegen wonden en verbindt de naam met de Trojaanse held Achilles. Plinius noemt ook blaasproblemen, astma en tandpijn als toepassingen. In laat-antieke compilaties zoals Plinius 'Medicina Plinii' en het kruidenboek van Pseudo-Apuliëus (rond 400 na Chr.) zijn aanbevelingen te vinden voor het kauwen van de bladeren tegen tandpijn, voor afkooksels tegen nierstenen en voor het aanbrengen van kompressen op verse wonden.

In de Lorsch-farmacopee (rond 800) komt de plant voor in recepten die variëren van eenvoudige middelen tegen neusbloedingen tot liturgisch geïnspireerde geneesmiddelen tegen epilepsie. In de 12e eeuw noemt Hildegard von Bingen, in haar Rijnlands-Frankische dialect, duizendblad "garwa", classificeert het als "warm en matig droog" en beveelt het aan bij buikpijn en "inwendige wonden, wat een aanzienlijke uitbreiding van het gebruik was, van een eenvoudig wondkruid naar inwendige toepassing.

Aan het einde van de 15de eeuw wijdden alle drie de kruidenboeken van Mainz een hoofdstuk aan duizendblad (Herbarius, Gart der Gesundheit, Hortus sanitatis). In de 16de eeuw verscheen het in de werken van Leonhart Fuchs, Hieronymus Bock en Adam Lonitzer; in de praktische literatuur was het al lange tijd een vast onderdeel van de dagelijkse praktijk van chirurgen. De kruidenboeken uit de late Renaissance beschreven het gebruik ervan voor een breed scala aan aandoeningen, van bloedingen (waaronder aambeien) en maag- en gynaecologische klachten tot krampachtige pijn. Tabernaemontanus biedt waarschijnlijk het meest uitgebreide hoofdstuk, dat ongeveer acht gedrukte pagina's beslaat.

De 16e eeuwse plantenkundige en arts Rembert Dodoens, gaf in zijn beroemde ‘Cruydtboeck’ uit 1554 het belang van duizendblad goed weer: ‘Achillea ghestooten sonderlinge het opperste van de bladeren ende bloemen op de bloedighe wonden gheleyt stelpt het bloeyen ende bewaert, so oft beschermt se van alle verhittinghe, swillinghe oft sweeringhe ende heelt se seer haest. Sy doet den bloedtloop ophouden.’

Georg Ernst Stahl beschrijft de plant in zijn systematische farmacopee (Materia medica, 1731) als "bescheiden, maar uitstekend". In de 20e eeuw vatte Gerhard Madaus het medisch gebruik van duizendblad goed samen: werkzaam bij het stelpen van bloedingen, wondgenezing en de behandeling van maag-, urineweg- en gynaecologische aandoeningen.

Inhoudsstoffen en farmacologie

De officiele aanduiding 'Millefolii herba' verwijst naar de gedroogde bloeitoppen. Het kenmerkende ervan is de etherische olie (ongeveer 0,1–1,4%) die mono- en sesquiterpenen bevat (bijv. α/β-pineen, sabineen, 1,8-cineol, kamfer, β-caryofylleen, germacreen D). Proazulenen veranderen tijdens stoomdestillatie tot chamazuleen, wat de soms diepblauwe kleur van deze oliën verklaart.

Het wetenschappelijk onderzoek heeft de werking van de azulenen opgehelderd (Ruzicka e.a.), proazulenen in duizendblad gedetecteerd (Egon Stahl) en azuleenvormende verbindingen systematisch geïdentificeerd (Thieme). Verder werd de bittere fractie gekarakteriseerd en de chemotypische variabiliteit ervan gedocumenteerd. Achilline werd geïdentificeerd als een relevante guaianolide bittere verbinding.

Daarnaast bevat Achillea millefolium sesquiterpeenlactonen (bittere stoffen), flavonoïden (apigeninederivaten, rutine...) en tannines (looistoffen). Vooral belangrijk voor polaire preparaten zijn dicaffeoylquininezuurderivaten (3,4-/3,5-/4,5-DCCA) en luteoline-O-β-D-glucuronide, dat choleretische effecten vertoont in levertesten. Farmacologisch gezien ondersteunen de spasmolytische effecten op gladde spieren en de ontstekingsmodulerende eigenschappen de traditionele indicaties. 

Huidige officiele status

De HMPC van het EMA vermeldt duizendblad als een traditioneel kruidengeneesmiddel voor de volgende gebieden:

  • Verlichting van milde, krampachtige maag-darmklachten (waaronder een opgeblazen gevoel).
  • Verlies van eetlust
  • Verlichting van lichte menstruatiekrampen (dysmenorroe)
  • Uitwendig gebruik op kleine, oppervlakkige wonden.

Praktische toepassing

  • Inwendig gebruik (thee / infusie): De dosering is afhankelijk van de indicatie.
  • Bij gebrek aan eetlust en bij maagklachten: 1,5–4 g fijngesneden kruid per 150–250 ml kokend water, 3–4 keer per dag tussen de maaltijden.
  • Bij menstruatiekrampen: 1-2 g per 250 ml, 2-3 keer per dag. Laat het altijd 10-15 minuten afgedekt trekken om te voorkomen dat de etherische oliën verdampen.
  • Inwendig gebruik (tinctuur / extract): Als bitter of "vrouwelijk" bestanddeel; voor afgewerkte geneesmiddelen is de dosering volgens de bijsluiter bepalend. De huidige HMPC-monografie uit 2020 omvat ook droge waterige extracten.
  • Uitwendig gebruik: 3-4 g van het kruid in 250 ml als infusie voor kompressen, spoelingen of zitbaden bij kleine, oppervlakkige wonden of (traditioneel) aambeien, 2-3 keer per dag.

De smaak is uitgesproken bitter en aromatisch. Het wordt beter verdragen in theemengsels met echte kamille, citroenmelisse of venkel. Bij een opgeblazen gevoel zijn combinaties met anijs, karwij en venkel effectief; bij menstruatiekrampen zijn mengsels van duizendblad, vrouwenmantel en zilverschoon nuttig.

Kruidenmengsels

  • Spijsvertering / bittertonicum: met absint, gele gentiaan, duizendguldenkruid en duizendblad. 
  • Bij gal-gerelateerde dyspepsie traditioneel gemengd met paardenbloem of artisjok.
  • Krampstillend als “vrouwenmiddel”: met vrouwenmantel, zilverschoon en echte kamille
  • Wonden / Uitwendig, topische toepassing (traditioneel): met goudsbloem, smalle weegbree en andere.

Kwaliteit en voorbereiding

De bronplant van het geneesmiddel Millefolii herba (Ph. Eur.) is Achillea millefolium L. sl, oftewel de soortgroep in de ruimere zin. De oogst vindt plaats tijdens de volle bloei (juni tot augustus), wanneer het gehalte aan etherische olie en flavonoïden het hoogst is. De samenstelling van de etherische olie varieert aanzienlijk afhankelijk van het chemotype: proazuleenrijke variëteiten leveren diepblauwe oliën op met een hoger chamazuleengehalte na distillatie, terwijl proazuleenarme variëteiten een groenachtige tot geelachtige olie produceren. Voor inwendig gebruik is deze variabiliteit klinisch minder relevant dan voor uitwendige preparaten, waar het ontstekingsremmend effect van de azulenen van belang zijn. 

Een verhouding van 10-25% is effectief gebleken in theerecepten. Voor tincturen zijn extracten met een verhouding van 1:5 en 45-55% ethanol gangbaar geworden, omdat deze zowel lipofiele (oliecomponenten) als hydrofiele bestanddelen (flavonoïden, fenolzuren) bevatten.

Veiligheidsvoorschriften

  • Allergieën: Zoals gebruikelijk bij Asteraceae, zijn contact- of kruisallergieën mogelijk (overgevoeligheid voor sesquiterpeenlactonen).
  • Contra-indicaties: Galwegstimulerende middelen mogen niet worden gebruikt bij actieve galwegobstructie. Wees voorzichtig bij gebruik in geval van maagzweren. Al kunnen kleine hoeveelheden kruidenthee juist genezend werken bij maagzweren.
  • Zwangerschap / Borstvoeding: Vanwege de traditionele menstruatiebevorderende werking wordt inwendig gebruik tijdens de zwangerschap afgeraden.
  • Interacties: Theoretisch gezien zouden interacties met andere medicijnen mogelijk zijn via de invloed van oliecomponenten op het cytochroom P450-systeem maar klinisch gezien zijn deze nauwelijks relevant.

Conclusie

Duizendblad combineert een rijke traditie met een inmiddels goed begrepen therapeutisch profiel. Als een robuust kruid met meerdere bestanddelen in de Europese geneeskunde, blijkt het, vaak onopvallend langs de weg groeiend, uitstekend effectief te zijn in de fytotherapeutische praktijk, vooral dan in goed samengestelde kruidenmengsels.

Literatuur

donderdag, juni 12, 2025

Over Sint-Janskruid en het maken van sintjansolie

Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) staat vooral bekend om zijn antidepressieve, stemmingsverbeterende en angstverminderende werking. Nadat deze effecten zo'n 30 jaar geleden wetenschappelijk bewezen waren, werd het kruid een bestseller. Preparaten van sint-janskruid behoren nu tot de bestverkochte kruidengeneesmiddelen. Volgens recente studies zijn extracten van sint-janskruid in hoge doseringen even effectief als synthetische antidepressiva bij de behandeling van milde depressie – maar in tegenstelling tot deze middelen worden ze over het algemeen veel beter verdragen.

De hoge dosering die nodig is voor de behandeling van depressie kan niet worden bereikt met zelfgemaakte sint-janskruidthee of door sint-janskruidolie aan te brengen. Hiervoor zijn geconcentreerde, commercieel verkrijgbare medicijnen nodig. Bovendien dient de behandeling van depressieve stoornissen altijd onder toezicht van een specialist plaats te vinden. Preparaten van sint-janskruid mogen daarom alleen worden gebruikt zoals voorgeschreven door een arts. Bij hogere concentraties sint-janskruid kunnen ook bijwerkingen en interacties met andere medicijnen optreden.

… maar ook zeer geschikt voor wondgenezing

Maar sint-janskruid werd niet alleen in de middeleeuwen gebruikt; zelfs in de oudheid werd het beschouwd als een belangrijke plant voor wondverzorging. Het bloedrode sap dat vrijkomt wanneer de gele bloemen worden geplet, werd volgens de signaturenleer geassocieerd met bloed. De beroemde arts Paracelsus (1493-1541) prees ook de wondhelende eigenschappen van sint-janskruid. Sint-janskruidolie, ook wel rode olie genoemd vanwege de kleur, werd toen al gebruikt.

Wie in de middeleeuwen sint-janskruidolie wilde produceren, deed dat met een methode die nauwelijks verschilt van de huidige olieproductie, zoals te lezen is in de instructies van de arts Pietro Andrea Matthioli (1500-1577) in zijn beroemde Nieuwe Kreüterbuch: "Bloemen hebben een uitstekende helende werking op wonden; maak er als volgt olie van: Doe verse bloemen in een glazen pot, giet er olijfolie overheen, sluit de pot af en zet hem in de zon. Laat het een paar dagen staan. Zeef vervolgens de olie, knijp de bloemen goed uit en voeg meer bloemen toe. Zet de pot opnieuw in de zon, knijp ze weer uit en voeg meer bloemen toe. Herhaal dit een aantal keer achter elkaar. Vermaal tot slot de peulen met de zaden en doe die ook in de olie. De olie krijgt dan een prachtige bloedrode kleur."  (Pietro Andrea Matthioli (1500 – 1577), Nieuw Kreüterbuch)

Onze voorouders hadden werkelijk een wonderbaarlijk geneesmiddel ontwikkeld, want sint-janskruidolie bevordert wondgenezing, vermindert ontstekingen, is antibacterieel, antiviraal en pijnstillend. Het is bijvoorbeeld nuttig als wrijfmiddel bij gewrichts- en spierpijn, maar ook bij kneuzingen, contusies, verstuikingen, luxaties en hematomen. Het wordt ook gebruikt bij zonnebrand, zenuwpijn, lumbago, doorligwonden, littekens en eczeem.

Wetenschappelijke commissies bevestigen ook het uitwendige gebruik ervan voor de behandeling van lichte huidontstekingen zoals zonnebrand en kleine wondjes (HMPC, ESCOP, WHO), evenals scherpe en stompe verwondingen, spierpijn en eerstegraads brandwonden (Commissie E). Het hoort daarom thuis in elke huisapotheek!

Het zelf maken van sint-janskruidolie is niet moeilijk. Om er echter voor te zorgen dat de olie zijn geneeskrachtige eigenschappen volledig kan ontwikkelen, moet u wel op de volgende punten letten.

Sint-janskruidolie maken: Toch niet te lang in de volle zon!

Recente studies hebben aangetoond dat er enkele fouten worden gemaakt bij de traditionele productie van sint-janskruidolie, die negatieve gevolgen kan hebben. Zo werd de olie met sint-janskruid vroeger vier weken lang in de volle zon bewaard. Tegenwoordig is bekend dat het belangrijke actieve bestanddeel hyperforine afbreekt in zonlicht. Hyperforine is een van de belangrijkste bestanddelen van sint-janskruid en is grotendeels verantwoordelijk voor de antibacteriële, ontstekingsremmende en wondhelende werking van de olie. Hypericine of zijn positieve afbraakproducten blijft mogelijk wel intact.

Maar ook de basisolie zelf, waarin het sint-janskruid wordt getrokken, lijdt onder zonlicht. Direct zonlicht, in combinatie met contact met zuurstof, leidt tot versnelde afbraakprocessen in de olie. Daardoor wordt de olie instabiel en neemt de houdbaarheid af. Tests hebben aangetoond dat stabiele olijfolie, die zonder toegevoegde kruiden in de zon wordt bewaard, al na 2-3 dagen ranzig wordt.

Overigens is het het sint-janskruid zelf dat voorkomt dat de gearomatiseerde olie voortijdig ranzig wordt: de actieve bestanddelen van het sint-janskruid trekken in de olie en beschermen deze tegen oxidatie. Dit is de reden waarom olijfolie zonder kruiden zo snel ranzig wordt bij blootstelling aan zonlicht en zuurstof, terwijl olie met kruiden dat niet doet. Hoe langer de olie met kruiden echter aan zonlicht wordt blootgesteld, hoe meer de actieve en beschermende stoffen afbreken.

Als je sint-janskruidolie wilt maken, let dan op: als het olie-infuus 4-6 weken in de zon staat, zal het gehalte aan actieve bestanddelen in de sint-janskruidolie laag zijn en de houdbaarheid relatief kort! Laat het olie-infuus daarom nooit langer dan 3-6 dagen in direct zonlicht staan!

Om blootstelling aan zonlicht te minimaliseren, kunt u de olie-infusie het beste bereiden in bruin of blauw glas in plaats van helder glas. Als u geen andere optie heeft dan een heldere glazen container te gebruiken, dek deze dan af met een katoenen doek of plaats hem op een warme, schaduwrijke plek in plaats van in direct zonlicht. Interessant genoeg deden onze voorouders in de Middeleeuwen het wél goed: ze plaatsten hun sint-janskruidolie in de volle zon, maar wel in ondoorzichtige aardewerken potten.

Gebruik verse sint-janskruid, want het belangrijke actieve bestanddeel hyperforine gaat verloren tijdens het drogen. Bovendien bevindt het grootste deel van de hyperforine zich niet in de bloemen, maar in de groene zaaddozen. Zorg ervoor dat zoveel mogelijk verschillende delen van de plant in de olie terechtkomen, aangezien elk plantendeel specifieke actieve bestanddelen bevat: de bladeren leveren etherische olie, de bloemen en vooral knoppen bevatten het rode pigment hypericine en flavonoïden, terwijl de groene zaaddozen het ontstekingsremmende hyperforine leveren. Het is daarom het beste om de gehele bovenste 20 cm van de plant te gebruiken, zodat bloemen, knoppen, bladeren en groene zaadkapsels daadwerkelijk in de olie terechtkomen.

Sint-Janskruidolie maken

  • 500 ml olijfolie
  • 100 g verse sint-janskruid (Hyperici herba)
  • 5-10 druppels etherische lavendelolie

Doe de fijngehakte kruiden in de olijfolie en laat het trekken in een warme, donkere kom. Een temperatuur tussen 30 en 40 °C is ideaal. Roer de olie tijdens het trekken een aantal keer per dag om ervoor te zorgen dat de actieve ingrediënten goed worden opgenomen. Zeef de olie na 3-6 dagen en voeg de etherische lavendelolie toe. Bewaar in donkere flessen (bruin of blauw glas).

Bewaartijd

Sint-janskruidolie heeft een houdbaarheid van ongeveer 9 maanden, waarna vooral de hyperforine snel afbreekt.

Lichtgevoeligheid

In tegenstelling tot inwendig gebruik van sint-janskruidextracten (inname), zal over het algemeen uitwendig gebruik van sint-janskruidolie op de huid de lichtgevoeligheid (fotosensibilisatie) niet verhogen. Fotosensibilisatie is echter theoretisch mogelijk bij mensen met een zeer lichte huid en/of huidaandoeningen. Vermijd daarom direct zonlicht op het behandelde gebied na het aanbrengen! 

Wees voorzichtig bij het filteren.

Verse sint-janskruid heeft een hoog watergehalte, wat bij onjuiste behandeling de houdbaarheid van de olie kan verkorten of zelfs tot schimmelvorming kan leiden. Om de infusiecontainer te beschermen tegen vreemde stoffen, dient deze daarom alleen afgedekt te worden met een ademend materiaal, zoals een vliegengaas of een wattenschijfje. Hierdoor kan overtollig water uit de olie verdampen. In hermetisch afgesloten containers vormt zich condens dat terugvloeit in de olie.

Bij het filteren van de gearomatiseerde olie dus liefst de plantenresten niet uitpersen, zodat het watergehalte in de olie niet te hoog wordt. Giet in plaats van uit te persen de gearomatiseerde olie, samen met het kruid, in een grote, fijne zeef zodat de olie er gedurende enkele uren doorheen kan druppelen. Knijp vervolgens het sint-janskruid boven een andere bak uit. Gebruik deze geperste olie van mindere kwaliteit zo snel mogelijk, omdat de houdbaarheid ervan snel afneemt.

Literatuur

zondag, juni 01, 2025

Maagdenpalm

't Is of bij deze plant de teere fijne bloemkroon, zachtblauw van kleur, en bij de minste aanraking afvallend, ja ook zonder stootje van buiten al gauw loslatend van haar vijfslippig kelkje, niet recht past bij de stevige, soliede, altijd groene bladeren, die aan buxus doen denken en in hun gladde lederachtigheid een beeld zijn van duurzaamheid en krachtig weerstandsvermogen. Dit citaat uit het werk van het in vrije liefde levende paar Frederica van Uildriks en Vitus Bruinsma uit 1898 doet wel wat. Het is een sensuele beschrijving van een vrij gewoon plantje, de maagdenpalm of Vinca minor.

In de tuin woekert de kleine maagdenpalm volop en zonder ingrepen zou ze de omliggende tuinen ook annexeren. Dus ja, ondanks de onschuldig klinkende Nederlandse naam is de maagdenpalm een wel-lustig groeiende plant. 

De Nederlandse naam verwijst naar oude gebruiken. Takjes maagdenpalm werden vroeger gevlochten tot een krans voor op het hoofd van jonge meisjes, onder andere bij huwelijken. Ook jonggestorven kinderen en overleden maagden kregen een dergelijke krans op het hoofd om hen te beschermen tegen de duivel en andere boze geesten. De term palm verwijst naar het altijdgroene blad van de plant, die in het Duits daarom ook toepasselijk Immergrün heet. En daarmee staat de maagdenpalm symbool voor het eeuwige leven. 

In de Flora Batava wordt de kleine maagdenpalm als in het wild voorkomend beschreven, vooral in bossen bij buitenplaatsen. De soort is al ver voor 1500 vanuit het Middellandse Zeegebied in Nederland en België ingevoerd, en geldt daarmee als ingeburgerd. Ze is een stinzenplant, een op cultuurhistorische plekken verwilderde. vroegbloeiende plant. Oudere botanische literatuur, zoals het kruidenboek van Dodoens uit 1544, beschrijft vooral een medicinaal gebruik bij bloedingen en overmatige menstruatie.

Vinca minor lijkt in zijn eigenschappen veel op die van Ginkgo biloba en wordt vaak samen met deze plant gecombineerd. Hij verhoogt mogelijk de hersendoorbloeding en stimuleert de stofwisseling van zenuwcellen, waarbij de werking van de neurotransmitters wordt verbeterd. Dit alles leidt tot een verbetering van de hersenfuncties.

Vinca minor bevat indolalkaloïden, waaronder vincamine, vinpocetine, apovincamine, vintoperol, vincarubine en anderen. Vinca minor kn mogeljk de bloedcirculatie in de hersenen verbeteren en aldus goed werken bij onder andere alzheimer, dementie, concentratieproblemen, , beroerte, tinnitus (oorsuizen) en duizeligheid. Van Vinca minor bevattende preparaten wordt verder geclaimd dat deze werken bij menorragie (overmatige menstruele bloeding), wondheling van verbrande ogen, ter voorkoming van glaucoom en ter vermindering van atherosclerotische plaque. 

In de middeleeuwen schijnt Vinca minor gebruikt te zijn tegen hoofdpijn, duizeligheid en geheugenstoornissen. Als bijwerkingen zijn maagdarmklachten en rood aanlopen beschreven. Sommige handboeken vermelden dat overdosering een ernstige bloeddrukdaling tot gevolg zal hebben. Er zijn echter geen gevallen van overdosering beschreven. In een aantal handboeken wordt Vinca minor als giftig geclassificeerd. Van de actieve stoffen staat in de geraadpleegde bronnen het meest vermeld over vincamine en vinpocetine. Over vincamine staat vermeld dat het vasodilaterend werkt, en dat inmiddels diverse producten zijn geregistreerd die vincamine bevatten, met als belangrijkste toepassing stimulatie van de bloedsomloop in de hersenen. Van vincamine wordt ook geclaimd dat het een ondersteunende werking op het metabolisme in de hersenen heeft, door bevordering van de bloedtoevoer naar de hersenen en het bevorderen van zuurstof en glucosegebruik. Daarnaast zou vincamine cognitieve functies ondersteunen en het geheugen en de concentratie verhogen. 

Er zijn niet veel gegevens over de toxiciteit van vincamine. Acuut is het weinig toxisch (orale LD50 in de muis is 1000 mg/kg lg). Gegevens over de chronische toxiciteit ontbreken. Volgens informatie op de internetsite van de FDA betroffen de ingediende toxiciteitstudies in de toelatingsprocedure van vincamine hoofdzakelijk intraveneuze toediening, die maar beperkt bruikbaar zijn voor het vaststellen van de veiligheid na orale opname via voedingsmiddelen. Naast dierstudies waren ook gegevens beschikbaar na intraveneuze toediening van vincamine aan gezonde vrijwilligers. De gerapporteerde bijwerkingen in deze studies waren onder andere fibrillatie, braken, bradycardie, flauwte, trombose in een ader in de arm en tinnitus. 

 Enigszins in tegenspraak met enkele van de claims, wordt er op etiketten van vincamineproducten vaak gewaarschuwd het niet te gebruiken bij hersenaandoeningen, bij een geschiedenis van hartaanvallen, aritmieën, beroertes of verstoring van de elektrolytenbalans. Bovendien wordt aangeraden het in geval van lage of hoge bloeddruk alleen te gebruiken op advies van een arts, de inname te verminderen of te stoppen bij het optreden van misselijkheid, het niet te gebruiken tijdens zwangerschap, borstvoeding of onder de leeftijd van achttien jaar.