maandag, juni 23, 2025

Génepi, een mythische plant

Een merkwaardig plantje, dat ik een groot deel van mijn herboristenleven niet gekend heb, is de Génepi. Een plant en een drank die vooral bij de Alpenbewoners een grote reputatie had en nu nog steeds heeft.

Deze Artemisiasoort, verwant aan Alsem, Bijvoet en Dragon, groeit hoog in de bergen, meestal boven de 2000 m, dikwijls bij een andere mythische plant de Edelweiss. Ze groeien vooral op droge zonnige plekken, waarbij ze overdag zeer hoge en 's nachts zeer lage temperaturen moeten verdragen. Ze hebben zich dan ook helemaal aangepast aan de moeilijke omstandigheden door onder andere een sterke beharing op het blad te ontwikkelen. Om zich te beschermen tegen de wind blijven ze ook klein en zoeken beschutting achter keien en steengruis.

Génepi en de koude

De Génepi, die zich zo goed tegen de kou kan beschermen heeft dan ook een grote reputatie tegen verkoudheid en zijn gevolgen. De ‘coup de froid’ noemden de bergbewoners deze aandoening. De betekenis en het gevaar van de 'coup de froid' is wel groter dan van een simpele verkoudheid zoals wij die in de lage landen kennen. Bij de extreme koude hoog in de bergen, de grote armoede en het geïsoleerd leven van vroeger was het levensgevaarlijk om verkouden te worden. Zoals door de montagnards werd gezegd: ‘ La chose dont on mourait le plus, c’est la poitrine, l’aggravation des coups de froid, ça donnait des pneumonies, des pleurésies, des choses très graves. En tegen de koude moest er warmte gebruikt worden. De weerstand moest verhoogd worden. We zouden dat nu kunnen vertalen, als het versterken van het immuunsysteem.

De soorten Génepi

Merkwaardig is ook dat onder de naam Génepi in verschillende valleien andere planten gebruikt werden. Het zijn voornamelijk Artemisiasoorten maar ook Achilleasoorten die bekend zijn als Génepi. De Alpenmensen weten dikwijls ook dat het verschillende soorten zijn maar ze gebruiken de plant die in hun vallei het meeste voorkomt. Ze spreken dan ook over Génepi jaune, Génepi noire, génepi male en génepi femelle om de verschillen aan te geven. De naam Génepi verwijst dan ook meer naar hun gelijkaardige medische werking dan naar hun botanische overeenkomst.

  • Artemisia mutellina of umbelliformis is meestal bekend als Genépi blanc of jaune, wordt nu ook het meest gekweekt
  • Artemisia génepi is Génepi noir.
  • Achillea nana werd ook wel Genepi blanc genoemd, is ook bekend als Genpi batard, dus de bastaardgenepi.
  • Verder worden ook Artemisia glacialis, Artemis spicata, Achillea atrata en Achillea moschata als Genépi gebruikt

Gemeenschappelijk zijn hun groeiomstandigheden, maar voor een gedeelte ook hun chemische samenstelling. Ze bevatten vooral etherische olie en bitterstoffen, ruiken dus allemaal sterk en smaken bitter.

Veel laaglanders, zal ik ze maar noemen, kennen wel de naam Génepi maar dan wel van de likeur. Het plantje zelf, vind ik regelmatig in de Franse Alpen in de buurt van hogere cols of op de crêtes. Maar ik wordt er ook mee geconfronteerd in de berghutten, waar het mij regelmatig aangeboden wordt. Ik moet dan ook oppassen, om niet dronken de bergen in te wandelen.

Génepi, mythische plant

Er is geen andere plant die zo een grote volkse reputatie heeft en toch zo weinig officieel onderzocht en herkend werd. Zelfs in de oude kruidenboeken vind je niets terug van de génepi. Het is pas in 1734 dat Lémery het vermeld als ‘le spécifique des fausses pleurésies’ en Fournier in 1947 schrijft dat het lang gebruikt werd dor de bergbewoners ‘pour provoquer la sudation dans les maladies aiguës’.

Génepi is hét voorbeeld van een mythische plant, die thuis hoort bij de bergbewoners en door hen alleen gevonden en gebruikt werd. Een plant met een symbolische, bijna sacrale betekenis. Een plant met een geheim dat alleen ingewijden kennen. ‘Le génepi, c’est différent des autres plantes’. Vous savez le genépi, il faut le connaitre pour le trouver’. En inderdaad, voor de génepi moet je lichamelijk en geestelijk fit zijn om hem te vinden en te gebruiken. Génepi vraagt dat je een natuurlijk ritueel ondergaat.

Bronnen en referenties

donderdag, juni 19, 2025

Monografie: Achillea millefolium

Duizendblad heeft een 2000 jaar oude traditie als medicinale plant en wordt op diverse manieren gebruikt vanwege zijn krampstillende, ontstekingsremmende en spijsverteringsbevorderende eigenschappen.

Botanie / Plantkunde

Duizendblad is een meerjarige plant uit de madeliefjesfamilie met een kruipende wortelstok en bereikt een hoogte van 20-80 cm. De twee- tot drievoudig geveerde, diep ingesneden bladeren geven de plant zijn botanische naam, millefolium. Talrijke kleine bloemhoofdjes vormen dichte, witte tot lichtroze schermbloemen. Het geslacht wordt als zeer divers beschouwd en omvat, afhankelijk van de taxonomische classificatie, ongeveer 85-140 soorten (waaronder A. ptarmica en A. nobilis). Als stikstofminnende plant die voorkomt in weilanden, op taluds en langs wegen, is het bijna overal te vinden,  Kenmerkende eigenschappen om het te onderscheiden van gelijkende soorten zijn de typische geur die vrijkomt wanneer de fijn geveerde bladeren worden gekneusd.

Geschiedenis en traditie

Al sinds de oudheid wordt duizendblad gewaardeerd als een kruid met wondhelende eigenschappen. Plinius de Oudere noemt millefolium / achilleos expliciet als een middel tegen wonden en verbindt de naam met de Trojaanse held Achilles. Plinius noemt ook blaasproblemen, astma en tandpijn als toepassingen. In laat-antieke compilaties zoals Plinius 'Medicina Plinii' en het kruidenboek van Pseudo-Apuliëus (rond 400 na Chr.) zijn aanbevelingen te vinden voor het kauwen van de bladeren tegen tandpijn, voor afkooksels tegen nierstenen en voor het aanbrengen van kompressen op verse wonden.

In de Lorsch-farmacopee (rond 800) komt de plant voor in recepten die variëren van eenvoudige middelen tegen neusbloedingen tot liturgisch geïnspireerde geneesmiddelen tegen epilepsie. In de 12e eeuw noemt Hildegard von Bingen, in haar Rijnlands-Frankische dialect, duizendblad "garwa", classificeert het als "warm en matig droog" en beveelt het aan bij buikpijn en "inwendige wonden, wat een aanzienlijke uitbreiding van het gebruik was, van een eenvoudig wondkruid naar inwendige toepassing.

Aan het einde van de 15de eeuw wijdden alle drie de kruidenboeken van Mainz een hoofdstuk aan duizendblad (Herbarius, Gart der Gesundheit, Hortus sanitatis). In de 16de eeuw verscheen het in de werken van Leonhart Fuchs, Hieronymus Bock en Adam Lonitzer; in de praktische literatuur was het al lange tijd een vast onderdeel van de dagelijkse praktijk van chirurgen. De kruidenboeken uit de late Renaissance beschreven het gebruik ervan voor een breed scala aan aandoeningen, van bloedingen (waaronder aambeien) en maag- en gynaecologische klachten tot krampachtige pijn. Tabernaemontanus biedt waarschijnlijk het meest uitgebreide hoofdstuk, dat ongeveer acht gedrukte pagina's beslaat.

De 16e eeuwse plantenkundige en arts Rembert Dodoens, gaf in zijn beroemde ‘Cruydtboeck’ uit 1554 het belang van duizendblad goed weer: ‘Achillea ghestooten sonderlinge het opperste van de bladeren ende bloemen op de bloedighe wonden gheleyt stelpt het bloeyen ende bewaert, so oft beschermt se van alle verhittinghe, swillinghe oft sweeringhe ende heelt se seer haest. Sy doet den bloedtloop ophouden.’

Georg Ernst Stahl beschrijft de plant in zijn systematische farmacopee (Materia medica, 1731) als "bescheiden, maar uitstekend". In de 20e eeuw vatte Gerhard Madaus het medisch gebruik van duizendblad goed samen: werkzaam bij het stelpen van bloedingen, wondgenezing en de behandeling van maag-, urineweg- en gynaecologische aandoeningen.

Inhoudsstoffen en farmacologie

De officiele aanduiding 'Millefolii herba' verwijst naar de gedroogde bloeitoppen. Het kenmerkende ervan is de etherische olie (ongeveer 0,1–1,4%) die mono- en sesquiterpenen bevat (bijv. α/β-pineen, sabineen, 1,8-cineol, kamfer, β-caryofylleen, germacreen D). Proazulenen veranderen tijdens stoomdestillatie tot chamazuleen, wat de soms diepblauwe kleur van deze oliën verklaart.

Het wetenschappelijk onderzoek heeft de werking van de azulenen opgehelderd (Ruzicka e.a.), proazulenen in duizendblad gedetecteerd (Egon Stahl) en azuleenvormende verbindingen systematisch geïdentificeerd (Thieme). Verder werd de bittere fractie gekarakteriseerd en de chemotypische variabiliteit ervan gedocumenteerd. Achilline werd geïdentificeerd als een relevante guaianolide bittere verbinding.

Daarnaast bevat Achillea millefolium sesquiterpeenlactonen (bittere stoffen), flavonoïden (apigeninederivaten, rutine...) en tannines (looistoffen). Vooral belangrijk voor polaire preparaten zijn dicaffeoylquininezuurderivaten (3,4-/3,5-/4,5-DCCA) en luteoline-O-β-D-glucuronide, dat choleretische effecten vertoont in levertesten. Farmacologisch gezien ondersteunen de spasmolytische effecten op gladde spieren en de ontstekingsmodulerende eigenschappen de traditionele indicaties. 

Huidige officiele status

De HMPC van het EMA vermeldt duizendblad als een traditioneel kruidengeneesmiddel voor de volgende gebieden:

  • Verlichting van milde, krampachtige maag-darmklachten (waaronder een opgeblazen gevoel).
  • Verlies van eetlust
  • Verlichting van lichte menstruatiekrampen (dysmenorroe)
  • Uitwendig gebruik op kleine, oppervlakkige wonden.

Praktische toepassing

  • Inwendig gebruik (thee / infusie): De dosering is afhankelijk van de indicatie.
  • Bij gebrek aan eetlust en bij maagklachten: 1,5–4 g fijngesneden kruid per 150–250 ml kokend water, 3–4 keer per dag tussen de maaltijden.
  • Bij menstruatiekrampen: 1-2 g per 250 ml, 2-3 keer per dag. Laat het altijd 10-15 minuten afgedekt trekken om te voorkomen dat de etherische oliën verdampen.
  • Inwendig gebruik (tinctuur / extract): Als bitter of "vrouwelijk" bestanddeel; voor afgewerkte geneesmiddelen is de dosering volgens de bijsluiter bepalend. De huidige HMPC-monografie uit 2020 omvat ook droge waterige extracten.
  • Uitwendig gebruik: 3-4 g van het kruid in 250 ml als infusie voor kompressen, spoelingen of zitbaden bij kleine, oppervlakkige wonden of (traditioneel) aambeien, 2-3 keer per dag.

De smaak is uitgesproken bitter en aromatisch. Het wordt beter verdragen in theemengsels met echte kamille, citroenmelisse of venkel. Bij een opgeblazen gevoel zijn combinaties met anijs, karwij en venkel effectief; bij menstruatiekrampen zijn mengsels van duizendblad, vrouwenmantel en zilverschoon nuttig.

Kruidenmengsels

  • Spijsvertering / bittertonicum: met absint, gele gentiaan, duizendguldenkruid en duizendblad. 
  • Bij gal-gerelateerde dyspepsie traditioneel gemengd met paardenbloem of artisjok.
  • Krampstillend als “vrouwenmiddel”: met vrouwenmantel, zilverschoon en echte kamille
  • Wonden / Uitwendig, topische toepassing (traditioneel): met goudsbloem, smalle weegbree en andere.

Kwaliteit en voorbereiding

De bronplant van het geneesmiddel Millefolii herba (Ph. Eur.) is Achillea millefolium L. sl, oftewel de soortgroep in de ruimere zin. De oogst vindt plaats tijdens de volle bloei (juni tot augustus), wanneer het gehalte aan etherische olie en flavonoïden het hoogst is. De samenstelling van de etherische olie varieert aanzienlijk afhankelijk van het chemotype: proazuleenrijke variëteiten leveren diepblauwe oliën op met een hoger chamazuleengehalte na distillatie, terwijl proazuleenarme variëteiten een groenachtige tot geelachtige olie produceren. Voor inwendig gebruik is deze variabiliteit klinisch minder relevant dan voor uitwendige preparaten, waar het ontstekingsremmend effect van de azulenen van belang zijn. 

Een verhouding van 10-25% is effectief gebleken in theerecepten. Voor tincturen zijn extracten met een verhouding van 1:5 en 45-55% ethanol gangbaar geworden, omdat deze zowel lipofiele (oliecomponenten) als hydrofiele bestanddelen (flavonoïden, fenolzuren) bevatten.

Veiligheidsvoorschriften

  • Allergieën: Zoals gebruikelijk bij Asteraceae, zijn contact- of kruisallergieën mogelijk (overgevoeligheid voor sesquiterpeenlactonen).
  • Contra-indicaties: Galwegstimulerende middelen mogen niet worden gebruikt bij actieve galwegobstructie. Wees voorzichtig bij gebruik in geval van maagzweren. Al kunnen kleine hoeveelheden kruidenthee juist genezend werken bij maagzweren.
  • Zwangerschap / Borstvoeding: Vanwege de traditionele menstruatiebevorderende werking wordt inwendig gebruik tijdens de zwangerschap afgeraden.
  • Interacties: Theoretisch gezien zouden interacties met andere medicijnen mogelijk zijn via de invloed van oliecomponenten op het cytochroom P450-systeem maar klinisch gezien zijn deze nauwelijks relevant.

Conclusie

Duizendblad combineert een rijke traditie met een inmiddels goed begrepen therapeutisch profiel. Als een robuust kruid met meerdere bestanddelen in de Europese geneeskunde, blijkt het, vaak onopvallend langs de weg groeiend, uitstekend effectief te zijn in de fytotherapeutische praktijk, vooral dan in goed samengestelde kruidenmengsels.

Literatuur

donderdag, juni 12, 2025

Over Sint-Janskruid en het maken van sintjansolie

Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) staat vooral bekend om zijn antidepressieve, stemmingsverbeterende en angstverminderende werking. Nadat deze effecten zo'n 30 jaar geleden wetenschappelijk bewezen waren, werd het kruid een bestseller. Preparaten van sint-janskruid behoren nu tot de bestverkochte kruidengeneesmiddelen. Volgens recente studies zijn extracten van sint-janskruid in hoge doseringen even effectief als synthetische antidepressiva bij de behandeling van milde depressie – maar in tegenstelling tot deze middelen worden ze over het algemeen veel beter verdragen.

De hoge dosering die nodig is voor de behandeling van depressie kan niet worden bereikt met zelfgemaakte sint-janskruidthee of door sint-janskruidolie aan te brengen. Hiervoor zijn geconcentreerde, commercieel verkrijgbare medicijnen nodig. Bovendien dient de behandeling van depressieve stoornissen altijd onder toezicht van een specialist plaats te vinden. Preparaten van sint-janskruid mogen daarom alleen worden gebruikt zoals voorgeschreven door een arts. Bij hogere concentraties sint-janskruid kunnen ook bijwerkingen en interacties met andere medicijnen optreden.

… maar ook zeer geschikt voor wondgenezing

Maar sint-janskruid werd niet alleen in de middeleeuwen gebruikt; zelfs in de oudheid werd het beschouwd als een belangrijke plant voor wondverzorging. Het bloedrode sap dat vrijkomt wanneer de gele bloemen worden geplet, werd volgens de signaturenleer geassocieerd met bloed. De beroemde arts Paracelsus (1493-1541) prees ook de wondhelende eigenschappen van sint-janskruid. Sint-janskruidolie, ook wel rode olie genoemd vanwege de kleur, werd toen al gebruikt.

Wie in de middeleeuwen sint-janskruidolie wilde produceren, deed dat met een methode die nauwelijks verschilt van de huidige olieproductie, zoals te lezen is in de instructies van de arts Pietro Andrea Matthioli (1500-1577) in zijn beroemde Nieuwe Kreüterbuch: "Bloemen hebben een uitstekende helende werking op wonden; maak er als volgt olie van: Doe verse bloemen in een glazen pot, giet er olijfolie overheen, sluit de pot af en zet hem in de zon. Laat het een paar dagen staan. Zeef vervolgens de olie, knijp de bloemen goed uit en voeg meer bloemen toe. Zet de pot opnieuw in de zon, knijp ze weer uit en voeg meer bloemen toe. Herhaal dit een aantal keer achter elkaar. Vermaal tot slot de peulen met de zaden en doe die ook in de olie. De olie krijgt dan een prachtige bloedrode kleur."  (Pietro Andrea Matthioli (1500 – 1577), Nieuw Kreüterbuch)

Onze voorouders hadden werkelijk een wonderbaarlijk geneesmiddel ontwikkeld, want sint-janskruidolie bevordert wondgenezing, vermindert ontstekingen, is antibacterieel, antiviraal en pijnstillend. Het is bijvoorbeeld nuttig als wrijfmiddel bij gewrichts- en spierpijn, maar ook bij kneuzingen, contusies, verstuikingen, luxaties en hematomen. Het wordt ook gebruikt bij zonnebrand, zenuwpijn, lumbago, doorligwonden, littekens en eczeem.

Wetenschappelijke commissies bevestigen ook het uitwendige gebruik ervan voor de behandeling van lichte huidontstekingen zoals zonnebrand en kleine wondjes (HMPC, ESCOP, WHO), evenals scherpe en stompe verwondingen, spierpijn en eerstegraads brandwonden (Commissie E). Het hoort daarom thuis in elke huisapotheek!

Het zelf maken van sint-janskruidolie is niet moeilijk. Om er echter voor te zorgen dat de olie zijn geneeskrachtige eigenschappen volledig kan ontwikkelen, moet u wel op de volgende punten letten.

Sint-janskruidolie maken: Toch niet te lang in de volle zon!

Recente studies hebben aangetoond dat er enkele fouten worden gemaakt bij de traditionele productie van sint-janskruidolie, die negatieve gevolgen kan hebben. Zo werd de olie met sint-janskruid vroeger vier weken lang in de volle zon bewaard. Tegenwoordig is bekend dat het belangrijke actieve bestanddeel hyperforine afbreekt in zonlicht. Hyperforine is een van de belangrijkste bestanddelen van sint-janskruid en is grotendeels verantwoordelijk voor de antibacteriële, ontstekingsremmende en wondhelende werking van de olie. Hypericine of zijn positieve afbraakproducten blijft mogelijk wel intact.

Maar ook de basisolie zelf, waarin het sint-janskruid wordt getrokken, lijdt onder zonlicht. Direct zonlicht, in combinatie met contact met zuurstof, leidt tot versnelde afbraakprocessen in de olie. Daardoor wordt de olie instabiel en neemt de houdbaarheid af. Tests hebben aangetoond dat stabiele olijfolie, die zonder toegevoegde kruiden in de zon wordt bewaard, al na 2-3 dagen ranzig wordt.

Overigens is het het sint-janskruid zelf dat voorkomt dat de gearomatiseerde olie voortijdig ranzig wordt: de actieve bestanddelen van het sint-janskruid trekken in de olie en beschermen deze tegen oxidatie. Dit is de reden waarom olijfolie zonder kruiden zo snel ranzig wordt bij blootstelling aan zonlicht en zuurstof, terwijl olie met kruiden dat niet doet. Hoe langer de olie met kruiden echter aan zonlicht wordt blootgesteld, hoe meer de actieve en beschermende stoffen afbreken.

Als je sint-janskruidolie wilt maken, let dan op: als het olie-infuus 4-6 weken in de zon staat, zal het gehalte aan actieve bestanddelen in de sint-janskruidolie laag zijn en de houdbaarheid relatief kort! Laat het olie-infuus daarom nooit langer dan 3-6 dagen in direct zonlicht staan!

Om blootstelling aan zonlicht te minimaliseren, kunt u de olie-infusie het beste bereiden in bruin of blauw glas in plaats van helder glas. Als u geen andere optie heeft dan een heldere glazen container te gebruiken, dek deze dan af met een katoenen doek of plaats hem op een warme, schaduwrijke plek in plaats van in direct zonlicht. Interessant genoeg deden onze voorouders in de Middeleeuwen het wél goed: ze plaatsten hun sint-janskruidolie in de volle zon, maar wel in ondoorzichtige aardewerken potten.

Gebruik verse sint-janskruid, want het belangrijke actieve bestanddeel hyperforine gaat verloren tijdens het drogen. Bovendien bevindt het grootste deel van de hyperforine zich niet in de bloemen, maar in de groene zaaddozen. Zorg ervoor dat zoveel mogelijk verschillende delen van de plant in de olie terechtkomen, aangezien elk plantendeel specifieke actieve bestanddelen bevat: de bladeren leveren etherische olie, de bloemen en vooral knoppen bevatten het rode pigment hypericine en flavonoïden, terwijl de groene zaaddozen het ontstekingsremmende hyperforine leveren. Het is daarom het beste om de gehele bovenste 20 cm van de plant te gebruiken, zodat bloemen, knoppen, bladeren en groene zaadkapsels daadwerkelijk in de olie terechtkomen.

Sint-Janskruidolie maken

  • 500 ml olijfolie
  • 100 g verse sint-janskruid (Hyperici herba)
  • 5-10 druppels etherische lavendelolie

Doe de fijngehakte kruiden in de olijfolie en laat het trekken in een warme, donkere kom. Een temperatuur tussen 30 en 40 °C is ideaal. Roer de olie tijdens het trekken een aantal keer per dag om ervoor te zorgen dat de actieve ingrediënten goed worden opgenomen. Zeef de olie na 3-6 dagen en voeg de etherische lavendelolie toe. Bewaar in donkere flessen (bruin of blauw glas).

Bewaartijd

Sint-janskruidolie heeft een houdbaarheid van ongeveer 9 maanden, waarna vooral de hyperforine snel afbreekt.

Lichtgevoeligheid

In tegenstelling tot inwendig gebruik van sint-janskruidextracten (inname), zal over het algemeen uitwendig gebruik van sint-janskruidolie op de huid de lichtgevoeligheid (fotosensibilisatie) niet verhogen. Fotosensibilisatie is echter theoretisch mogelijk bij mensen met een zeer lichte huid en/of huidaandoeningen. Vermijd daarom direct zonlicht op het behandelde gebied na het aanbrengen! 

Wees voorzichtig bij het filteren.

Verse sint-janskruid heeft een hoog watergehalte, wat bij onjuiste behandeling de houdbaarheid van de olie kan verkorten of zelfs tot schimmelvorming kan leiden. Om de infusiecontainer te beschermen tegen vreemde stoffen, dient deze daarom alleen afgedekt te worden met een ademend materiaal, zoals een vliegengaas of een wattenschijfje. Hierdoor kan overtollig water uit de olie verdampen. In hermetisch afgesloten containers vormt zich condens dat terugvloeit in de olie.

Bij het filteren van de gearomatiseerde olie dus liefst de plantenresten niet uitpersen, zodat het watergehalte in de olie niet te hoog wordt. Giet in plaats van uit te persen de gearomatiseerde olie, samen met het kruid, in een grote, fijne zeef zodat de olie er gedurende enkele uren doorheen kan druppelen. Knijp vervolgens het sint-janskruid boven een andere bak uit. Gebruik deze geperste olie van mindere kwaliteit zo snel mogelijk, omdat de houdbaarheid ervan snel afneemt.

Literatuur

zondag, juni 01, 2025

Maagdenpalm

't Is of bij deze plant de teere fijne bloemkroon, zachtblauw van kleur, en bij de minste aanraking afvallend, ja ook zonder stootje van buiten al gauw loslatend van haar vijfslippig kelkje, niet recht past bij de stevige, soliede, altijd groene bladeren, die aan buxus doen denken en in hun gladde lederachtigheid een beeld zijn van duurzaamheid en krachtig weerstandsvermogen. Dit citaat uit het werk van het in vrije liefde levende paar Frederica van Uildriks en Vitus Bruinsma uit 1898 doet wel wat. Het is een sensuele beschrijving van een vrij gewoon plantje, de maagdenpalm of Vinca minor.

In de tuin woekert de kleine maagdenpalm volop en zonder ingrepen zou ze de omliggende tuinen ook annexeren. Dus ja, ondanks de onschuldig klinkende Nederlandse naam is de maagdenpalm een wel-lustig groeiende plant. 

De Nederlandse naam verwijst naar oude gebruiken. Takjes maagdenpalm werden vroeger gevlochten tot een krans voor op het hoofd van jonge meisjes, onder andere bij huwelijken. Ook jonggestorven kinderen en overleden maagden kregen een dergelijke krans op het hoofd om hen te beschermen tegen de duivel en andere boze geesten. De term palm verwijst naar het altijdgroene blad van de plant, die in het Duits daarom ook toepasselijk Immergrün heet. En daarmee staat de maagdenpalm symbool voor het eeuwige leven. 

In de Flora Batava wordt de kleine maagdenpalm als in het wild voorkomend beschreven, vooral in bossen bij buitenplaatsen. De soort is al ver voor 1500 vanuit het Middellandse Zeegebied in Nederland en België ingevoerd, en geldt daarmee als ingeburgerd. Ze is een stinzenplant, een op cultuurhistorische plekken verwilderde. vroegbloeiende plant. Oudere botanische literatuur, zoals het kruidenboek van Dodoens uit 1544, beschrijft vooral een medicinaal gebruik bij bloedingen en overmatige menstruatie.

Vinca minor lijkt in zijn eigenschappen veel op die van Ginkgo biloba en wordt vaak samen met deze plant gecombineerd. Hij verhoogt mogelijk de hersendoorbloeding en stimuleert de stofwisseling van zenuwcellen, waarbij de werking van de neurotransmitters wordt verbeterd. Dit alles leidt tot een verbetering van de hersenfuncties.

Vinca minor bevat indolalkaloïden, waaronder vincamine, vinpocetine, apovincamine, vintoperol, vincarubine en anderen. Vinca minor kn mogeljk de bloedcirculatie in de hersenen verbeteren en aldus goed werken bij onder andere alzheimer, dementie, concentratieproblemen, , beroerte, tinnitus (oorsuizen) en duizeligheid. Van Vinca minor bevattende preparaten wordt verder geclaimd dat deze werken bij menorragie (overmatige menstruele bloeding), wondheling van verbrande ogen, ter voorkoming van glaucoom en ter vermindering van atherosclerotische plaque. 

In de middeleeuwen schijnt Vinca minor gebruikt te zijn tegen hoofdpijn, duizeligheid en geheugenstoornissen. Als bijwerkingen zijn maagdarmklachten en rood aanlopen beschreven. Sommige handboeken vermelden dat overdosering een ernstige bloeddrukdaling tot gevolg zal hebben. Er zijn echter geen gevallen van overdosering beschreven. In een aantal handboeken wordt Vinca minor als giftig geclassificeerd. Van de actieve stoffen staat in de geraadpleegde bronnen het meest vermeld over vincamine en vinpocetine. Over vincamine staat vermeld dat het vasodilaterend werkt, en dat inmiddels diverse producten zijn geregistreerd die vincamine bevatten, met als belangrijkste toepassing stimulatie van de bloedsomloop in de hersenen. Van vincamine wordt ook geclaimd dat het een ondersteunende werking op het metabolisme in de hersenen heeft, door bevordering van de bloedtoevoer naar de hersenen en het bevorderen van zuurstof en glucosegebruik. Daarnaast zou vincamine cognitieve functies ondersteunen en het geheugen en de concentratie verhogen. 

Er zijn niet veel gegevens over de toxiciteit van vincamine. Acuut is het weinig toxisch (orale LD50 in de muis is 1000 mg/kg lg). Gegevens over de chronische toxiciteit ontbreken. Volgens informatie op de internetsite van de FDA betroffen de ingediende toxiciteitstudies in de toelatingsprocedure van vincamine hoofdzakelijk intraveneuze toediening, die maar beperkt bruikbaar zijn voor het vaststellen van de veiligheid na orale opname via voedingsmiddelen. Naast dierstudies waren ook gegevens beschikbaar na intraveneuze toediening van vincamine aan gezonde vrijwilligers. De gerapporteerde bijwerkingen in deze studies waren onder andere fibrillatie, braken, bradycardie, flauwte, trombose in een ader in de arm en tinnitus. 

 Enigszins in tegenspraak met enkele van de claims, wordt er op etiketten van vincamineproducten vaak gewaarschuwd het niet te gebruiken bij hersenaandoeningen, bij een geschiedenis van hartaanvallen, aritmieën, beroertes of verstoring van de elektrolytenbalans. Bovendien wordt aangeraden het in geval van lage of hoge bloeddruk alleen te gebruiken op advies van een arts, de inname te verminderen of te stoppen bij het optreden van misselijkheid, het niet te gebruiken tijdens zwangerschap, borstvoeding of onder de leeftijd van achttien jaar. 


zaterdag, mei 24, 2025

Mucuna tegen Alzheimer

De fluweelboon (Mucuna pruriens) is een snelgroeiende, peuldragende, tropische klimplant, waarvan de zaden gebruikt worden in de ayurvedische geneeskunst.  De haren van deze peulvrucht bevatten mucunaïne. Dit is een eiwit dat ondraaglijke jeuk en huiduitslag kan veroorzaken als het in contact komt met de huid [ 1 ]. De fluweelboon was daarom een ​​bestanddeel van jeukpoeders, die niet alleen voor kwaadaardige grappen werden gebruikt, maar ook als medicijn. Begin 19e eeuw werd bijvoorbeeld jeukpoeder geprobeerd als irriterend middel tegen verlies van gevoeligheid van het huidoppervlak.
De hedendaagse gecultiveerde vorm van de fluweelboon bevat weinig tot geen mucunaïne, waardoor de plant voor meer doeleinden gebruikt kan worden. In tropische gebieden worden de eiwitrijke zaden als krachtvoer aan dieren gevoerd. 

Volksgeneeskundig gebruik van de fluweelboon
In de Ayurvedische geneeskunde wordt de fluweelboon vooral gebruikt bij aandoeningen van het zenuwstelsel en het urogenitale stelsel. Voorbeelden hiervan zijn zenuwzwakte, epilepsie, nervositeit, impotentie, aandrang om te plassen, onvruchtbaarheid en verschillende nierziekten. Het wordt ook gebruikt bij worminfecties, diarree, slangenbeten, reumatische aandoeningen, spierpijn, diabetes, menstruatiepijn en jicht. Men gebruikt in de eerste plaats de zaden en minder vaak de wortels. 
Op basis van de huidige onderzoeken lijken sommige indicaties plausibel: in onderzoeken zijn inmiddels antidiabetische, antioxiderende, afrodiserende, stimulerende, anti-epileptische en antimicrobiële effecten aangetoond [ 2 ]. De mogelijke werking van de fluweelboon op het syndroom van Parkinson heeft de laatste decennia echter voor ophef gezorgd.

Mucuna pruriens als mogelijke remedie voor het syndroom van Parkinson?
Het syndroom van Parkinson wordt veroorzaakt door een tekort aan de neurotransmitter dopamine in de hersenen. Hierdoor kunnen de getroffenen onder andere hun spieren moeilijk snel bewegen. De bewegingen zijn vaak traag, de spieren zijn stijf, de gang is wankel en de ledematen beginnen te trillen als de patiënt in rust is. Daarnaast kunnen ook de stemming, de autonome beheersing van de blaas, de darmen, de bloeddruk en het cognitieve vermogen aangetast worden. De belangrijkste medicamenteuze behandeling is het innemen van L-dopa, ook wel levodopa genoemd. Het aminozuur L-dopa wordt in de hersenen omgezet in dopamine en kan zo het dopaminetekort compenseren. 
Bijna 100 jaar geleden werd ontdekt dat de zaden van de fluweelboon ook L-dopa bevatten, en geen kleine hoeveelheid: het percentage L-dopa kan oplopen tot 7%. De aanwezigheid van L-dopa maakt bovendien de stimulerende werking van de fluweelboon aannemelijk: Dopamine bevordert drive, een positieve stemming en motivatie. 

Verschillende klinische onderzoeken hebben inmiddels bevestigd dat de werking van Mucuna pruriens bij mensen met de ziekte van Parkinson vergelijkbaar is met die van L-dopa medicijnen – met aanzienlijk minder bijwerkingen. Bij de behandeling van het syndroom van Parkinson met synthetische L-dopa treden doorgaans bijwerkingen op; Zo kan de bewegingsvrijheid ernstig beperkt worden. Op basis van eerdere onderzoeken is er reden om aan te nemen dat fluweelboon beter verdragen wordt. In de onderzoeken werden na inname van Mucuna pruriens alleen maag-darmklachten waargenomen, zoals misselijkheid of een vol gevoel [ 3 ].

Mucuna pruriens: middel met een addertje onder het gras
De positieve effecten lijken niet alleen gebaseerd te zijn op het L-dopa-gehalte de antioxiderende werking van de fluweelboon speelt waarschijnlijk ook een belangrijke rol, aangezien deze een beschermende werking heeft op zenuwcellen [ 4 ].

Dat zou voor veel getroffenen een zegen kunnen zijn, maar helaas zit er een addertje onder het gras. Er is tot op heden geen gestandaardiseerd medicijn voor Mucuna pruriens op de markt. 

Let op : Het is niet raadzaam om op eigen houtje poeder of andere voedingssupplementen die Mucuna pruriens bevatten in te nemen. Enerzijds kan de zuiverheid en de identiteit van deze zaden niet eenduidig ​​worden aangetoond. Anderzijds kunnen de indoolalkaloïden die in de zaden voorkomen, bijwerkingen als hoofdpijn, vermoeidheid, malaise of ernstige dorst veroorzaken. En verder is vooral een goede deskundige opvolging absoluut noodzakelijk.

Referenties
  1. Reddy VB, Iuga AO, Shimada SG et al. Door Mucuna veroorzaakte jeuk wordt veroorzaakt door een nieuw cysteïneprotease: een ligand van protease-geactiveerde receptoren. J Neurosci 2008; 28(17): 4331-4335
  2. Lampariello LR, Cortelazzo A, Guerranti R, et al. De magische fluweelboon van Mucuna pruriens. J Traditioneel Aanvulling Med 2012; 2(4): 331-339
  3. Latte KP. Mucuna pruriens. Portret van een medicinale plant. Tijdschrift voor Fytotherapie 2008; 29(4): 199-206
  4. Chopra AS De behandeling van de ziekte van Parkinson vanuit het perspectief van de Ayurvedische geneeskunde. Empirische geneeskunde 2021; 70(06): 322-327

maandag, mei 19, 2025

Heilig bosch, heidens heilig

In een heilig bosch was, zoo meen ik te mogen aannemen, eene afgezonderde plaats meer rechtstreeks voor de godsdienstplechtigheden bestemd. In zoodanige plaats stond de geheimzinnige wagen van Nerthus, de moederaarde, die alleen aangeraakt mocht worden door de priesters, die den wagen rondvoerden, wanneer zij merkten, dat de godin er plaats in had genomen. Daar stonden de oudste en zwaarste boomen, waaronder de altaren waren opgericht en waaraan de offergaven bevestigd werden. In lateren tijd waren daar de beelden der goden. Daar werden de veldteekens bewaard, nabootsingen van dieren, die Claudius Civilis, toen hij tegen de Romeinen optrok, uit de bosschen medenam, waaronder iedere stam gewoon was te vechten en die de oorsprong der zoogenaamde heraldieke figuren zijn. Deze heiligste plaats in het heilige zal wel vroegtijdig afgerasterd of omheind geweest zijn, zooals zij later was. De Northumberlandsche koning Edvine vroeg, toen hij in het jaar 627 gedoopt zou worden, aan den voornaamsten der heidensche priesters, die zelf in hem het oude geloof aan het wankelen had gebracht, wie het eerst de altaren en de tempels der afgoden met de heg of omheining, die er om heen was, zou ontwijden? De priester antwoordde, dat hij zelf het zou doen en hij vernietigde wat hij vroeger geheiligd had.
Het monotheistisch christendom verdrong de goden en hunnen dienst uit de bosschen, doch het volk, dat hardnekkig vasthield aan het polytheistisch geloof der vaderen, bracht, zoowel openlijk als in het geheim, zijne vereering over naar de overblijfsels van zijne vroegere heiligdommen, naar die boomen, welke de getuigen waren geweest van zijnen godsdienst. Eerst toen Bonifacius den heiligen eik bij Geismar aan den Edder, bij Fritzlar, deed omhouwen, was het christendom in die streek gevestigd.
Al mocht de bekeerde heiden, voordat hij gedoopt werd, ook plechtig verzekeren: ‘Ec forsacho allum diabolis wercum und wordum, Thunaer ende Woden ende Saxnote ende allun them unholdun, the hira genotas sint, d.i.: Ik verzeg alle werken en woorden des duivels, Thonar en Wodan en Saxnot en alle booze geesten, die hunne gezellen zijn,’ - het heidensche zuurdeesem bleef werken.

De Gids. Jaargang 45(1881)L.A.J.W. baron Sloet van de Beele


woensdag, mei 14, 2025

Melganzevoet. Gewoon ongewoon.

De melde of melganzevoet (Chenopodium album) is een wijdverbreid 'onkruid' dat vooral voorkomt in door mensen bewerkte gebieden. Daarom vinden we het in tuinen, op landbouwgrond, braakland, op paden en langs wegen. De eenjarige ganzenvoet kan zowat 140 cm hoog worden. De rechtopgaande stengel is duidelijk gegroefd en lijkt groen-wit gestreept. Soms heeft het ook een roodachtige tint.
De jonge bladeren aan het bovenste deel van de plant zien eruit alsof ze met meel bestoven zijn of bedekt met kleine witte druppeltjes. Vooral de onderkant van de bladeren is bedekt met witachtige, melige haartjes. De bloemige laag kun je gemakkelijk met je vingers weg wrijven. Bij aanraking en wrijving voelt het blad licht vochtig en vettig aan. De bladvorm van de ganzenvoet is zeer gevarieerd, van langwerpig-ovaal tot ruitvormig, alles is mogelijk.
De naam van de plant verwijst naar de vorm van het blad, dat lijkt op de pootafdruk van een gans. De kleine, groenachtige bloemen verschijnen van juli tot september en staan ​​in dichte trossen. In de herfst ontwikkelen zich de ronde, zwarte zaden.

Dodonaeus  over Melde

Dodonaeus schrijft ‘Melde loopt gemakkelijk door de buik vanwege haar gladheid, (schijtmelde) niettemin heeft het zeer weinig verterende krachten en wordt gebruikt met biet tegen de gebreken van de baarmoeder. Melde veel in de spijs gebruikt, beroert de maag en is zeer slecht om te verteren, als Diocles en Dionysus schrijven, ze laat ook sproeten en plekken aan het aanzicht en op het lijf groeien.
De tamme melde is goed opgelegd als de bloedzweren net beginnen te komen en de wilde als die beginnen te vergaan. Melde met Salpeter, honig en azijn gemengd is goed op het wild vuur en op jicht gelegd of ook op de hete gezwellen. De Italianen maken van de melde enige taarten en ze scherven de bladeren zeer klein en stampen ze met kaas, verse boter en dooiers van eieren wat ze in deeg leggen en alzo in de oven bakken'.

Spinazie en pseudogranen uit de steentijd

Al 7000 jaar geleden werd de witte ganzenvoet door boeren uit het neolithicum als wilde groente gebruikt. Geen enkel ander wild kruid is zo vaak aangetroffen bij archeologische opgravingen in prehistorische nederzettingen. De bladeren werden als groente gebruikt en de kleine zaden werden op een vergelijkbare manier gebruikt als granen. De melganzenvoet is een van de smakelijkste wilde groenten. Het behoort, net als spinazie, tot de ganzenvoetfamilie. De smaak van de jonge bladeren en scheuten is het smakelijkst tussen april en juni, dus vóór de bloei. De bladeren zijn niet alleen geschikt als vervanger van spinazie, maar verrijken ook salades, soepen, ovenschotels, quiches en smoothies. Zodra de bloei begint, vanaf juli, worden de bladeren enigszins bitter en hebben ze geen interessante smaak meer. Maar daarna rijpen de zwarte, zetmeelrijke zaden snel en die zijn ook eetbaar. Ze zijn vrij klein, maar omdat de ganzenvoet massaal groeit en enorm veel zaden produceert, is het toch de moeite waard om te oogsten. In India worden de zaden als graan gebruikt en gegeten als pap of fijngemalen tot meel voor pannenkoeken. Je moet echter wel de saponinen uit de zaden verwijderen vóór gebruik. Om dit te doen, laat u het 1 uur weken in warm water en spoelt u het daarna goed af. U kunt het direct gebruiken of in de oven drogen en vervolgens bewaren. Ook het zachtjes roosteren (bij 60-70 °C) komt de smaak ten goede. Overigens heeft ganzenvoetzaad een beroemde verwant, namelijk quinoa (Chenopodium quinoa). Dit pseudograan uit de Andes heeft de laatste jaren naam gemaakt als bron van plantaardige eiwitten.

Superfood van hoge kwaliteit, maar met beperkingen

Vanuit gezondheidsoogpunt kunnen ganzenvoetbladeren tot de superfoods gerekend worden. Ze bevatten een verbazingwekkende hoeveelheid eiwitten, kalium (995 mg/100 g), magnesium (230 mg/100 g), calcium (240 mg/100 g) en ijzer (3,9 mg/100 g). Daarnaast zijn ganzenvoetgroenten een uitstekende bron van provitamine A en vitamine C (135 mg/100 g). De kleine, zwarte zaadjes hebben een zeer hoog eiwitgehalte (16,6 g/100 g) met een uitgebalanceerde samenstelling van aminozuren. 

Helaas bevatten de gezonde ganzenvoetbladeren, net als spinazie, veel oxaalzuur. Daarom moet u deze voedingsmiddelen niet te veel eten. Mensen met een nieraandoening moeten vooral voedsel vermijden dat oxaalzuur bevat. Een hoge consumptie kan leiden tot het ontstaan ​​van nierstenen en niergruis en belemmert bovendien de opname van calcium en ijzer. Wanneer er echter ook veel calcium in de voeding zit, kunnen de oxalaten gebonden en uitgescheiden worden zonder dat dit de nieren belast. Daarom is een combinatie met calciumrijke voedingsmiddelen (zuivelproducten, sojaproducten) zeer zinvol. U kunt het oxaalzuur bijvoorbeeld binden door de ganzenvoetspinazie te verrijken met Parmezaanse kaas of tofu. Overigens is het oxaalzuurgehalte het laagst in de jonge bladeren vóór de bloei.

In Turkije zijn meerdere gevallen gedocumenteerd van fototoxische reacties van de huid na het eten van ganzenvoetgroenten en gelijktijdige blootstelling aan intens zonlicht, vermoedelijk als gevolg van de furanocoumarines die in deze groenten zitten. Mensen die hier gevoelig voor zijn, kunnen beter na het eten van ganzenvoet beter niet zonnebaden.

Medicinale werking
Farmacologische studies hebben aangetoond dat de plant wormdrijvende, sperma-immobiliserende en anticonceptieve eigenschappen bezit. Mogelijk dat de plant ook jeukwerend en antinociceptief (pijnstillend) werkt. Toch wel merkwaardige medicinale mogelijkheden voor zo'n algemeen plantje.

Recept: Melganzenvoetspinazie
Ingrediënten
  • 750 g jonge melganzenvoetbladeren
  • 2 eetlepels boter of olie
  • 2 teentjes knoflook
  • 250 ml room of kokosmelk
  • 1 tl bouillon/groentebouillon
  • zout en peper
  • 100 g kaas
voorbereiding
  • Verhit de boter en voeg de in reepjes gesneden ganzenvoetbladeren toe.
  • Laat de blaadjes wat stoven, voeg de knoflookteentjes toe en blus af met room of kokosmelk.
  • Laat 5-10 minuten op middelhoog vuur sudderen.
  • Voeg vervolgens de kruiden toe en spatel de geraspte kaas erdoor.
Ganzenvoetspinazie is geschikt als bijgerecht bij rijst, als topping op pasta of als groente bij aardappelen.

Wetenschappelijke referentie
  • Amrita Poonia, Ashutosh Upadhayay. Chenopodium album Linn: overzicht van voedingswaarde en biologische eigenschappen. Tijdschrift voor voedsel- en wetenschapstechnologie 2015; doi: 10.1007/s13197-014-1553-x
  • https://mens-en-gezondheid.infonu.nl/gezonde-voeding/38725-ganzevoet-en-andere-meldes.html

zondag, mei 11, 2025

Ganzevoet en andere meldes

Met echte onkruiden zoals Herderstasje, Knopkruid en Melde of melganzevoet, heb ik een haat – liefde verhouding. Aan de ene kant bewonder ik hun overlevingsdrang maar tezelfdertijd vind ik het hinderlijk dat ze overdadig overal ontkiemen op plaatsen waar ik andere planten wil laten groeien. Maar als ze dan ook eetbaar blijken te zijn of nog meer andere kwaliteiten vertonen, gaat mijn bewondering toch overheersen.

Melganzevoet

Chenopodium album behoort tot een grote familie van de Ganzevoetachtigen. De bladeren hebben de vorm van een ganzevoet, vandaar ook de naam. Ook chenopodium komt van het griekse chen, gans en podos, voet of podion, voetje. Een oudere naam Pes anserinum verwijst ook naar de ganzevoet. Dodonaeus zegt het zo ' van sommighe soorten zijn die bladeren breet, rontsomme met diepe kerven gesneden, eenen voet van een gans schier ghelijck'.

Mel of melde, heeft mogelijk te maken met meel, de bladeren zien er wat wittig, als met meel bestoven uit. Of zou het verwijzen naar het vroegere gebruik van de zaden als meel om brood of pap te maken. In de grotwoningen van onze verre voorouders waren de meldes waarschijnlijk een belangrijke voedselbron. Mel betekent ook malen, wat weer verwijst naar de zaden als grondstof voor meel. Een dialectische naam is Luismelde, mensen zagen een luis in de vorm van het zaad. Ook een Duitse benaming Luusmell verwijst er naar.

Naast het gebruik van het zaad als meel, waren ook de bladeren als bladgroente in gebruik. Ten andere onze spinazie behoort tot dezelfde familie. Het meldeblad kun je dan ook op dezelfde manier gebruiken gestoofd als spinazie of rauw in een gemengde sla. In de tijd voor de populariteit van de spinazie zijn er zelfs cultivars van chenopodium album ontwikkeld met rood en lichtgroen blad. Het zijn snel groeiende gewassen waarvan de rode variëteit zelfs enige sierwaarde heeft.

Brave Hendrik

Maar er zijn wel meer Ganzevoet-achtigen die bekend zijn. De minst opvallende maar vroeger toch veel in de omgeving van de mensen groeiend, noemt Brave Hendrik in feite Goede Hendrik naar het Latijnse bonus en naar een oude Duitse benaming 'guter Heinrich'. Is dat een vriendelijke of een onvriendelijk bedoelde naam? Chenopodium Bonus Henricus, in het Latijn klinkt het bijna heilig, maar toch groeit hij hoog in de bergen in de stront van de schapen. Goed eetbaar als groente, maar ik pluk hem toch liever in andere omgevingen.

Quinoa

De meest bekende Ganzevoet op dit moment is echter de Zuid-Amerikaanse Quinoa, het mythische Incagraan dat al duizenden jaren als een soort rijst gebruikt word en nu ook in Europa ingeburgerd is. Ook de jonge bladplanten zijn te gebruiken en nogal decoratief met hun hardrose gekleurde puntjes aan de uiteinden van de bladeren.

Apazote

En we zijn er nog niet, er is ook nog de Chenopodium ambrosoides of Apazote, nu vergeten maar vroeger in de apothekersboeken beroemd om zijn wormdrijvende eigenschappen. Ook weer een Zuid-Amerikaanse soort die in Brazilië een zeer algemeen onkruid is en zich hier in de tuin ook als zodanig gedraagt. Hij houdt ook de familietraditie in eer van plant met onopvallende groene bloemetjes, maar zijn vreemde geur geeft hem toch enige charme. Hij mag dus blijven in mijn tuin. In Belize en omstreken is het een geliefd huis- en keukenmiddel. Naast zijn officieel gebruikt als wormdrijvend medicijn wordt van de hele plant ook een kalmerend aftreksel gemaakt en de wortel van één plant 10 minuten gekookt in 2 kopjes water wordt als een uitstekende kuur tegen crudo of een kater beschouwd. Het kruid wordt verder ook als smaakmaker en gasverdrijver aan bonengerechten toegevoegd. Twee vliegen in één klap dus. Lekker en gezond.

vrijdag, mei 09, 2025

Melissa officinalis, een monografie

Citroenmelisse, ook bekend onder de farmacopeïsche naam Melissae folium, heeft een lange geschiedenis van medicinaal gebruik voor diverse aandoeningen. Men geloofde dat de plant zoveel verschillende aandoeningen kon verhelpen dat ze ooit werd beschouwd als een 'kruidengenezer voor alles' (14). Hoewel het vooral werd gebruikt voor depressie/angst, slapeloosheid en dyspepsie, omvat de lange lijst van kwalen waarvoor citroenmelisse traditioneel werd gebruikt ook bronchitis, astma (69), hoesten, koorts, menstruatieproblemen, hypertensie, migraine, shock, duizeligheid (29, 65), eczeem/huidproblemen (65), jicht (42), insectenbeten/steken (12), slangenbeten en huidinfecties (29). Sommigen geloofden zelfs dat de plant kaalheid kon genezen (29, 42). 

Citroenmelisse heeft een lange reputatie als kalmerend en opbeurend kruid, en recent onderzoek begint dit traditionele gebruik te bevestigen.  Het hydroalcoholische extract vertoonde kalmerende effecten op het centrale zenuwstelsel in dierstudies (9, 14). Een studie gepubliceerd in 2004 in Psychosomatic Medicine met menselijke vrijwilligers toonde aan dat een dosis van 600 mg gestandaardiseerd M. officinalis-extract de stemming, kalmte en alertheid verbeterde, en dat een dosis van 300 mg de wiskundige verwerkingssnelheid van de proefpersonen verhoogde (57). In een studie gepubliceerd in 2006 in Phytotherapy Research verminderde een dosis van 600 mg van een gestandaardiseerd product met Melissa officinalis en Valeriana officinalis de angst bij menselijke proefpersonen (hoewel een dosis van 1800 mg de angst juist verhoogde) (56). 

Van oudsher werd aangenomen dat citroenmelisse het geheugen scherpt (9, 14, 18), en een studie uit 2002 toonde aan dat citroenmelisse weliswaar geen verbetering bracht in geheugenfuncties zoals woordherinnering, ruimtelijk en numeriek geheugen, maar wel in concentratie (19, 54).  Een studie uit 2003 toonde echter aan dat 1600 mg gedroogd blad het geheugen verbeterde. De auteurs suggereren dat het effect op de stemming en de cognitieve prestaties citroenmelisse nuttig kan zijn bij de behandeling van de ziekte van Alzheimer (55). 

Een andere studie over het gebruik van citroenmelisse bij de ziekte van Alzheimer werd in 2006 gepubliceerd in het Journal of Ethnopharmacology. De auteurs van deze studie concludeerden dat Melissa officinalis een van de planten is die nuttig kan zijn bij de preventie en behandeling van de ziekte van Alzheimer vanwege het vermogen om acetylcholinesterase te remmen. (35). Zowel de etherische olie, het ethanolisch extract en het afkooksel van Melissa officinalis werden onderzocht, waarbij het ethanolisch extract de sterkste remming vertoonde, andere planten in deze studie lieten wel een hogere mate van remming zien dan citroenmelisse.) 

Citroenmelisse heeft gedocumenteerde antivirale effecten.  Uit sommige onderzoeken met menselijke proefpersonen is gebleken dat topische preparaten van citroenmelisse effectief zijn tegen herpes simplex (9, 14, 29), en gestandaardiseerde topische preparaten met citroenmelisse-extract worden momenteel in de VS en Europa verkocht (14). Citroenmelisse-extract heeft ook antivirale eigenschappen aangetoond tegen HIV-1 (109 in 14), en waterige extracten zouden antiviraal werken tegen het influenzavirus (14). 

Studies hebben de positieve effecten aangetoond van kruidencombinaties met citroenmelisse op babykoliek (86), prikkelbare darmsyndroom (102), colitis, dyspepsie en slaapkwaliteit, maar deze studies betroffen producten die meerdere kruiden combineerden in plaats van alleen citroenmelisse, waardoor de precieze rol van citroenmelisse in deze onderzoeken onbekend is (14).  Talrijke studies hebben melding gemaakt van de antibacteriële en schimmelwerende werking van etherische olie van citroenmelisse (14, 74, 77). Een studie uit 2005 toonde aan dat een methanolextract van de bladeren van Melissa officinalis in vitro zwak actie was tegen Helicobacter pylori, de bacterie die maagzweren en andere gastro-intestinale aandoeningen veroorzaakt (68). 

Een hydro-alcoholisch extract van citroenmelisse vertoonde antibacteriële activiteit tegen Staphylococcus aureus, Salmonella choleraesuis en de resistente bacterie Klebsiella pneumoniae (77). De etherische olie zou ook antibacterieel zijn tegen Mycobacterium  hemolytica (66) en heeft antimicrobiële activiteit vertoond tegen sommige schimmels en gisten, evenals tegen microben die schimmelinfecties van de huid veroorzaken bij mensen en dieren (4, 74). Uit een onderzoek uit 2005 bleek dat een waterig extract van gedroogde bladeren van Melissa officinalis het serumcholesterol- en lipidengehalte verlaagde bij Zwitserse albino-ratten en de verhoging van enzymen die markers zijn voor leverschade verminderde (10). De etherische olie is ook antihistaminisch en krampstillend (66) en heeft in vitro antitumorale / kankerbestrijdende effecten aangetoond (25). 

Citroenmelisse is door de Duitse Commissie E goedgekeurd voor nerveuze slaapstoornissen en "functionele gastro-intestinale klachten" (9). ESCOP (European Scientific Cooperative on Phytotherapy) beveelt het uitwendige gebruik van citroenmelisse aan voor koortsblaasjes en het inwendige gebruik voor spanning, rusteloosheid, prikkelbaarheid, spijsverteringsstoornissen en lichte spasmen (9).

Citroenmelisse insectenwerend

Citroenmelisse ( Melissa officinalis ) is niet alleen een heerlijk kruid om de zenuwen te kalmeren; het is ook een krachtig middel om vervelende insecten op afstand te houden. Het geheim van de effectiviteit van citroenmelisse als insectenwerend middel schuilt in de aromatische bestanddelen. Het is een lid van de muntfamilie en, net als veel van zijn verwanten, produceert het een sterke, aangename geur waar mensen dol op zijn, maar die insecten, met name muggen, onaantrekkelijk vinden. Dit kruid is rijk aan etherische oliën met een citroengeur en bevat veel citronellal, een stof die een natuurlijke barrière vormt tegen veelvoorkomende zomerse plagen. Citroenmelisse wordt al eeuwenlang gebruikt als insectenwerend middel. De geplette bladeren kunnen op de huid worden gewreven om insecten af ​​te weren (72), en sommige melisse soorten met een hoog citronellalgehalte kunnen muggen afstoten (97). 

Bereiding 1. Citroenmelisse-zalf tegen koortsblaasjes 

De antivirale eigenschappen van citroenmelisse maken het een uitstekende keuze voor het verzachten van koortsblaasjes.

  • 3 eetlepels bijenwas
  • 3 eetlepels kokosolie
  • 1 eetlepel aloë vera-gel (kant-en-klare gel is prima)
  • 12 druppels etherische olie van citroenmelisse, wel zeer duur. Te vervangen door gedroogd melisseblad laten trekken in de kokosolie
  • 3 druppels vitamine E
  • blikken of glazen potjes met afsluitbare deksels

Hoe maak je het:

  • Smelt in een kleine pan of au bain-marie de bijenwas, kokosolie en vitamine E samen op laag vuur.
  • Haal de pan van het vuur en voeg de aloë vera-gel en de etherische olie van citroenmelisse toe, roer goed door.
  • Giet het mengsel direct in bewaarblikken of afsluitbare potten.
  • Laat het afkoelen tot het hard is, en dek het dan af.

Gebruik: Breng naar behoefte een zeer kleine hoeveelheid aan op de lippen. Vermijd gebruik tijdens zwangerschap, borstvoeding en bij zeer jonge kinderen. Vermijd gebruik bij een overgevoelige huid. Stop het gebruik als de aandoening verergert of als er extra irritatie optreedt. Deel de lippenbalsem niet met anderen om de verspreiding van het virus dat koortsblaasjes veroorzaakt te voorkomen.

Beteiding 2. Siroop van gember en citroenmelisse

Deze verzachtende siroop kan verlichting geven bij milde verkoudheids- of griepsymptomen.

  • 1/4 kopje fijngehakte, verse citroenmelisseblaadjes (of 1/8 kopje gedroogde citroenmelisse)
  • 5 cm gemberwortel, in stukjes gesneden en geschild
  • 1/3 kopje kokend water
  • 1 eetlepel citroensap
  • 1/4 kopje rauwe honing

Hoe maak je het:

  • Doe de fijngehakte citroenmelisseblaadjes en gemberwortel in een hittebestendige weckpot 
  • Giet het kokende water over de kruiden, dek af met een schoteltje en laat ongeveer een uur trekken. Zeef de thee vervolgens.
  • Giet 1 eetlepel vers citroensap in een maatbeker van 1/4 kopje en vul de rest aan met gezeefde citroenmelisse/gemberthee. (Als je allergisch bent voor citroensap of er geen kunt gebruiken, laat het dan weg en gebruik in plaats daarvan meer thee.)
  • Meng de thee en het citroensap met 1/4 kopje rauwe honing en roer goed.
  • Bewaar de honing in de koelkast, sluit de pot af, voorzie hem van een etiket en bewaar hem daar ongeveer twee weken. Roer de honing voor elk gebruik even door.

Gebruik: Neem naar behoefte een theelepel in ter verlichting van lichte verkoudheids- of griepsymptomen. 

Bereiding 3. Recept voor een insectenwerend middel met citroenmelisse

  • 1/2 kopje gedroogde citroenmelisse
  • 100 ml toverhazelaarextract of gebruik gedroogd hazelaarblad
  • 3 druppels etherische olie van citroengras
  • 1 druppel basilicum etherische olie
  • 2-3 druppels etherische sinaasappelolie
  • 120 ml gedestilleerd water
  • Een afsluitbare weckpot of container (om de gearomatiseerde olie in te maken)
  • Een klein spuitflesje
  • Mousseline doek (om te zeven)

Begin met het maken van je citroenmelisse-infusie. Om een ​​kruidenolie te maken (ook wel extractie of infusie genoemd), worden gedroogde kruiden gedurende een bepaalde tijd geweekt in een vloeibare basis om hun heilzame eigenschappen er langzaam uit te trekken. Het is beter om gedroogde kruiden te gebruiken voor dit proces; verse kruiden bevatten water, waardoor een infusie snel kan bederven of ranzig kan worden. Voor deze insectenwerende olie met citroenmelisse gebruiken we hamamelisextract of gedroogd hazelaarblad als vloeibare basis. Toverhazelaar is ideaal voor dit soort uitwendige middelen omdat het verzachtend en licht samentrekkend werkt en helpt de infusie te conserveren. Bovendien verdampt het snel, waardoor de huid fris aanvoelt in plaats van vettig.

  • Meng de gedroogde citroenmelisse (1/2 kopje) en het toverhazelaarextract (100 ml) in een weckpot of een andere afsluitbare pot die je in huis hebt.
  • Schud het mengsel goed door elkaar zodat alle ingrediënten gemengd zijn.
  • Plaats de pot een week of twee in een koele, donkere kast zodat de citroenmelisse goed kan intrekken in het toverhazelaarextract. Hoe langer je het laat trekken, hoe meer de citroenmelisse zal intrekken.

Maak vervolgens je eigen insectenwerende spray:

  • Zodra je citroenmelisse-infusie klaar is, moet je de inhoud zeven. Giet de infusie in een kom en gebruik een neteldoekdoek om de blaadjes uit de vloeistof te zeven. 
  • Voeg aan deze gezeefde citroenmelisse-infusie 3 druppels etherische olie van citroengras, 1 druppel etherische olie van basilicum en 2-3 druppels etherische olie van sinaasappel toe. Al deze etherische oliën werken als muggenwerend middel en geven de citroenmelisse-infusie een heerlijke geur.
  • Roer het mengsel 30-60 seconden goed door om ervoor te zorgen dat de etherische oliën volledig zijn opgenomen.
  • Vul uw spuitfles voor de helft met dit geconcentreerde mengsel.
  • Vul de rest van de spuitfles tot de rand met gedestilleerd water en sluit deze af met de dop.
  • Bewaar je zelfgemaakte insectenwerend middel met citroenmelisse in de koelkast en schud het goed voor elk gebruik.

Hoe gebruik je dit insectenwerend middel?

  • Breng de insectenspray met citroenmelisse elke 1-2 uur aan, of naar behoefte, om muggen en andere insecten te bestrijden. Deze spray is bedoeld voor menselijk gebruik en niet voor huisdieren.

Literatuur
1. Adzet, T., et al. 1992. Content and composition of M. officinalis oil in relation to leaf position and
harvest time. Planta medica. 58(6):562-564.
2. Albert, Susan Wittig. 1995. Herbs of the zodiac. Bertram, TX: Thyme & Season Books.
3. Anderson, Esther Howe 1960. Thoreau and herbs. The herbarist. 26:25-30.
4. Araujo, C., et al. 2003. Activity of essential oils from Mediterranean Lamiaceae species against food
spoilage yeasts. Journal of food protection 66(4):625-632.
5. Belsinger, Susan. 2006. Personal communication. November 6.
6. Belsinger, Susan 2007. Lemon balm, herb of the year 2007. Herbs for health: 11(6):26-31.
7. Belsinger, Susan and Kathleen Fisher. 2002. Encyclopedia of gourmet herbs. In Hanson, Beth, editor
Gourmet herbs: classic and unusual herbs for your garden and your table. Brooklyn, NY:
Brooklyn Botanic Garden.
8. 2005. Best-practice guidelines for protected herbs - Septoria leaf spot (Septoria spp.)
[online].Boxworth, Cambridge: ADAS. [accessed November 6]. Available from World Wide Web
(http://www.protectedherbs.org.uk/pages/guidelines/septoriaLeafSpotBP.pdf).
9. Blumenthal, Mark, Alicia Goldberg and Josef Brinckmann, ed. 2000. Herbal medicine: expanded
Commission E monographs. Newton, MA: Integrative Medicine Communications.
10. Bolkent, S., et al. 2005. Protective role of Melissa officinalis L. extract on liver of hyperlipidemic rats:
a morphological and biochemical study. Journal of ethnopharmacolgy. 99:397-398.
11. Bown, Deni. 2001. The Herb Society of America new encyclopedia of herbs & their uses. New York:
DK.
12. Bown, Deni. 2006. Personal communication. December 8 and December 13.
13. Brandies, Monica Moran. 1996. Herbs and spices for Florida gardens. Wayne, PA: B.B. Mackey
Books.
14. Brendler, Thomas, et al. 2005. Lemon balm (Melissa officinalis L.): an evidence-based systematic
review by the Natural Standard Research Collaboration. Journal of herbal pharmacotherapy 5
(4):71-114.
15. Brickell, Christopher and Judith D. Zuk, ed. 1997. The American Horticultural Society A-Z
encyclopedia of garden plants. New York: DK.
16. Bunney, Sarah, ed. 1984. The illustrated encyclopedia of herbs. New York: Dorset Press.
17. Burgett, Michael 1980. The use of lemon balm (Melissa officinalis) for attracting honeybee swarms.
Bee world. 61(2):44-46.
18. Caldwell, Chic 2003. Lemon balm. Herbal harvest. 23(2):16-17.
19. Castleman, Michael 2003. Herbal healthwatch. The herb quarterly. 96:8-11.
20. Colonial Dames of America. 1995. Herbs and herb lore of colonial America. New York: Dover.
21. Craig, W.J., ed. 1914. The complete works of William Shakespeare [online]. London: Oxford
University Press (via Bartleby.com http://www.bartleby.com/70/).
22. Culpeper, Nicholas. 1652. The English physitian: or an astrologo-physical discourse of the vulgar
herbs of this nation [online].London: Peter Cole. [accessed August 7, 2006]. Available from
World Wide Web (http://www.info.med.yale.edu/library/historical/culpeper/b.htm).
23. Cunningham, Scott. 2000. Cunningham's encyclopedia of magical herbs. St. Paul, MN: Llewellyn
Publications.
24. Davis, Jeanine M. 1997. Lemon balm [online].Raleigh, NC: North Carolina Cooperative Extension
Service, North Carolina State University. [accessed November 2]. Available from World Wide
Web (http://www.ces.ncsu.edu/depts/hort/hil/hil-126.html).
25. de Sousa, Allyne Carvalho, et al. 2004. Melissa officinalis L. essential oil: antitumoral and antioxidant
activities. Journal of pharmacy and pharmacology 56:677-681.
26. Demby, Elayne Robertson 1997. Sweet melissa. The herb quarterly.73:30-33.
27. Dobelis, Inge N., ed. 1986. Magic and medicine of plants. Pleasantville, NY: The Reader's Digest
Association, Inc.
28. Duh, P.D., et al. 2004. Effects of puerh tea on oxidative damage and nitric oxide scavenging. Journal
of agricultural food chemistry. 52:8169-8176.
29. Duke, James A. 2002. Handbook of medicinal herbs. Boca Raton, FL: CRC Press.
30. Duke, Jim. 2006. Dr. Duke's phytochemical and ethnobotanical database [online] [accessed October
20]. Available from World Wide Web (http://www.ars-grin.gov/duke/).
31. Ellis, Barbara W. and Fern Marshall Bradley, ed. 1996. The organic gardener's handbook of natural
insect and disease control. Emmaus, PA: Rodale Press.
32. England, Karen. 2006. Personal communication. November 16.
33. EPPO and CABI. Data sheets on quarantine pests - Spodoptera littoralis and Spodoptera litura
[online] European and Mediterranean Plant Protection Organization. [accessed January 2,
2006]. Available from World Wide Web (http://www.eppo.org/QUARANTINE/insects/
Spodoptera_litura/PRODLI_ds.pdf).
34. Facciola, Stephen. 1998. Cornucopia II: a source book of edible plants. Vista: Kampong
Publications.
35. Ferreira, A., et al. 2006. The in vitro screening for acetylcholinesterase inhibition and antioxidant
activity of medicinal plants from Portugal. Journal of ethnopharmacolgy. 108:31-37.
36. 1994-2006. Flora of China [online] Flora of China Project. [accessed October 19, 2006]. Available
from World Wide Web (http://flora.huh.harvard.edu/china/PDF/PDF17/melissa.pdf).
37. Franke, W. 1978. On the contents of vitamin C and thiamine during the vegetation period in leaves
of three spice plants (Allium schoenoprasum L., Melissa officinalis L. and Petroselinum crispum
(Mill.) nym. ssp. crispum. Acta horticulturae. 73:205-212.
38. Gerard, John. 1975. The herbal or general history of plants: the complete 1633 edition as revised
and enlarged by Thomas Johnson. New York: Dover.
39. Gips, Kathleen. 1990. Flora's dictionary: the Victorian language of herbs and flowers. Chagrin Falls,
OH: TM Publications.
40. Gladstar, Rosemary. 1993. Herbal healing for women. New York: Simon & Schuster.
41. Gordon, Lesley. 1977. Green magic: flowers, plants & herbs in lore & legend. New York: Viking
Press.
42. Grieve, Mrs. M. 1931. A modern herbal: the medicinal, culinary, cosmetic and economic properties,
cultivation and folk-lore of herbs, grasses, fungi, shrubs & trees with all their modern scientific
uses. New York: Harcourt, Brace & Company.
43. Gruenwald, Joerg, Thomas Brendler and Christof Jaenicke, ed. 2004. PDR for herbal medicines.
Montvale, NJ: Thompson PDR.
44. Gunther, Robert T. 1959. The Greek herbal of Dioscorides. New York: Hafner Publishing.
45. Hill, Madalene and Gwen Barclay. 2006. Personal communication. October 23.
46. Hoffmann, David. 2003. Medical herbalism: the science and practice of herbal medicine. Rochester,
VT: Healing Arts Press.
47. Homer. 1857. The odysseys of Homer. Trans. George Chapman [online].London: J.R.Smith.
[accessed September 29, 2006]. Available from World Wide Web (http://www.bartleby.com/111/
chapman18.html).
48. Hunt Institute for Botanical Documentation. 2006. Catalogue of the botanical art collection at the
Hunt Institute [online].Pittsburg, PA: Carnegie Mellon University. [accessed September 26,
2006]. Available from World Wide Web (http://128.2.21.109:591/artcat/artsearch.html).
49. Huxley, Anthony, ed. 1992. The new Royal Horticultural Society dictionary of gardening. New York:
Stockton Press.
50. Jefferson, Thomas. 1944,1985. Thomas Jefferson's garden book, 1766-1824: with relevant extracts
from his other writings. Annotated by Edwin Morris Betts. Philadelphia: The American
Philosophical Society.
51. Jones, Cindy. 2006. Personal communication. November 20 & 21.
52. Jones, Cindy L.A. 2000. The antibiotic alternative. Rochester, VT: Healing Arts Press.
53. Kato-Noguchi, Hisashi. 2003. Assessment of allelopathic potential of shoot powder of lemon balm.
Scientia horticulturae. 97:419-423.
54. Kennedy, D.O., et al. 2002. Modulation of mood and cognitive performance following acute
administration of Melissa officinalis (lemon balm). Pharmacology, biochemistry and behavior.
72:953-964.
55. Kennedy, D.O., et al. 2003. Modulation of mood and cognitive performance following acute
administration of single doses of Melissa officinalis (lemon balm) with human CNS nicotinic and
muscarinic receptor-binding properties. Neuropsychopharmacology. 28:1871-1881.
56. Kennedy, David O., et al. 2006. Anxiolytic effects of a combination of Melissa officinalis and
Valeriana officinalis during laboratory induced stress. Phytotherapy research. 20:96-102.
57. Kennedy, David O., Wendy Little and Andrew B. Scholey. 2004. Attenuation of laboratory-induced
stress in humans after acute administration of Melissa officinalis (lemon balm.). Psychosomatic
medicine. 66:607-613.
58. Kiefer, Lorraine 2003. Lemon balm. The herbarist (69):60-61.
59. Kiefer, Lorraine. 2006. Personal communication. November 9.
60. Koch-Heitzmann, I. and W. Schultze 1988. 2000 Jahre Melissa officinalis. Z. Phytother. 9:77-85.
61. Langan, Karen. 2006. Personal communication. November 14.
62. Langan, Mark. 2006. Personal communication. December 4.
63. Langsner, Louise. 1991/1992. Herbs for a tea garden. The herb companion. 4(2):27-32.
64. Lavender, Susan and Anna Franklin. 1996. Herb craft: a guide to the shamanic and ritual use of
herbs. Freshfields: Capall Bann Publishing.
65. Lawless, Julia. 1992. The encyclopedia of essential oils. Shaftesbury, Dorset: Element Books.
66. Leung, Albert Y. and Steven Foster. 2003. Encyclopedia of common natural ingredients used in
food, drugs and cosmetics. Hoboken, NJ: Wiley-Interscience.
67. Loe, Theresa. 2006. Personal communication. November 16 and December 15.
68. Mahady, Gail B., et al. 2005. In vitro susceptibility of Helicobacter pylori to botanical extracts used
traditionally for the treatment of gastrointestinal disorders. Phytotherapy research. 19:988-991.
69. Mamedov, Nazim and Lyle E. Craker. 2001. Medicinal plants used for the treatment of bronchial
asthma in Russia and Central Asia. Journal of herbs, spices & medicinal plants 8(2/3):91-117.
70. McGimpsey, Jenny. 1993. Lemon balm - Melissa officinalis. [online].Christchurch, New Zealand:
New Zealand Institute for Crop & Food Research Limited. [accessed August 7, 2006]. Available
from World Wide Web (http://www.semec.ws/cropfood/psp/broadshe/lemon.htm).
71. McGuffin, Michael, et al., ed. 1997. American Herbal Products Association botanical safety
handbook. Boca Raton: CRC Press.
72. McVicar, Jekka 2004. Taste something different-lemon balm. BBC gardeners' world. 164:82.
73. Meagher, Evelyn. 1985. Herbs in the middle ages. Grant Printing.
74. Mimica-Dukic, Neda, et al. 2004. Antimicrobial and antioxidant activities of Melissa officinalis L.
(Lamiaceae) essential oil. Journal of agricultural and food chemistry. 52:2485-2489.
75. Moldenke, Harold N. and Alma L. Moldenke. 1952. Plants of the Bible. Waltham, MA: Chronica
Botanica Company.
76. Mrlianová, Mária, et al. 2002. The influence of the harvest cut height on the quality of the herbal
drugs Melissae folium and Melissae herba. Planta medica. 68:178-180.
77. Nascimento, Gislene G.F., et al. 2000. Antibacterial activity of plant extracts and phytochemicals on
antibiotic-resistant bacteria. Brazilian journal of microbiology. 31:247-256.
78. Nau, Jim. 1999. Ball culture guide: the encyclopedia of seed germination. Batavia: IL: Ball
Publishing.
79. Pavela, Roman. 2005. Insecticidal activity of some essential oils against larvae of Spodoptera
littoralis. Fitoterapia (76):691-696.
80. Payne, Barbara 2006. Modest melissa. Herbs 31(1):10-11.
81. Platt, Ellen Spector. 2002. Lemon herbs: how to grow and use 18 great plants. Mechanicsburg, PA:
Stackpole Books.
82. Reppert, Bertha. 1984. Bertha Reppert's herbs of the zodiac. Mechanicsburg, PA: Rosemary House.
83. Ribiero, M.A., M.G. Bernardo-Gil and M.M. Esquivel. 2001. Melissa officinalis L.: study of antioxidant
activity in supercritical residues. Journal of supercritical fluids. 21:51-60.
84. Rinzler, Carol Ann. 2001. The new complete book of herbs, spices, & condiments. New York:
Checkmark Books.
85. Rohde, Eleanour Sinclair. 1935. Shakespeare's wild flowers: fairy lore, gardens, herbs, gatherers of
simples and bee lore. London: The Medici Society.
86. Savino, Francesco, et al. 2005. A randomized double-blind placebo-controlled trial of a standardized
extract of Matricariae recutita, Foeniculum vulgare and Melissa officinalis (ColiMil®) in the
treatment of breastfed colicky infants. Phytotherapy research. 19:335-340.
87. Scannell, Ellen. 2003. Lemon balm (Melissa officinalis) [online].Central Point, OR: Oregon State
University, Jackson County Extension Office. [accessed August 31, 2006]. Available from World
Wide Web (http://extension.oregonstate.edu/sorec/mg/herbanrenewal/lemonbalm.html).
88. Scannell, Ellen. 2006. Personal communication. October 15.
89. Schetky, E. 1961. Herb garden bouquets. The herbarist. 27:42-44.
90. Shalaby, A.S, S. El-Gengaihi and M. Khattab 1995. Oil of Melissa officinalis L., as affected by
storage and herb drying. Journal of essential oil research 7:667-669.
91. Simpson, John and Edmund Weiner. 1989, 2006. Oxford English dictionary [online].New York:
Oxford University Press. [accessed September 26, 2006]. Available from World Wide Web
(http://dictionary.oed.com.ezproxy2.cpl.org/).
92. Small, Ernest. 1997. Culinary herbs. Ottawa: NRC Research Press.
93. Stearn, William T. 1992. Botanical Latin. Newton Abbot, Devon: David & Charles.
94. Talbert, Rexford. 2006. Personal communication. October 19.
95. Tierra, Lesley. 2000. A kid's herb book for children of all ages. San Francisco: Robert D. Reed
Publishers.
96. Tucker, Arthur O. 2006. Personal communication. October 12.
97. Tucker, Arthur O. and Thomas DeBaggio. 2000. The big book of herbs: a comprehensive illustrated
reference to herbs of flavor and fragrance. Loveland, CO: Interweave Press.
98. Tzanetakis, I.E., I.C. Mackey and R.R. Martin. 2005. Tulip virus X (TVX) associated with lemon balm
Melissa officinalis variegation: first report of TVX in the USA. Plant pathology 54:562.
99. U.S. Food and Drug Administration. 2002. Code of federal regulations Ch.21 Section 182.10 [online]
Office of the Federal Register and NARA. [accessed August 31, 2006]. Available from World
Wide Web (http://a257.g.akamaitech.net/7/257/2422/14mar20010800/edocket.access.gpo.gov/
cfr_2002/aprqtr/pdf/21cfr182.10.pdf).
100. U.S. Food and Drug Administration. 2002. Code of federal regulations Ch.21 Section 182.20
[online] Office of the Federal Register and NARA. [accessed August 31, 2006]. Available from
World Wide Web (http://a257.g.akamaitech.net/7/257/2422/14mar20010800/
edocket.access.gpo.gov/cfr_2002/aprqtr/pdf/21cfr182.20.pdf).
101. Van Hevelingen, Andrew. 2006. Personal communication. October 17.
102. Vejdani, Reyhaneh, et al. 2006. The efficacy of an herbal medicine, carmint, on relief of abdominal
pain and bloating in patients with irritable bowel syndrome: a pilot study. Digestive diseases and
sciences 51:1501-1507.
103. Virgil. 1753. The ecologues and georgics of Virgil. Trans. Joseph Warton. (accessed via Literature
Online).
104. Voigt, Charles E. 2006. Lemon balm, not just a sweet smelling weed anymore. The herbarist. 72:9-
13.
105. Walker, Winifred. 1957. All the plants of the Bible. London: Lutterworth Press.
106. Wiersema, John H. and Blanca Leon. 1999. World economic plants: a standard reference. Boca
Raton: CRC Press.
107. Wong, A.H., M. Smith and H.S. Boon. 1998. Herbal remedies in psychiatric practice. Arch. gen.
psychiatry 55(11):1033-1044.
108. Wood, Rebecca. 1999. The new whole foods encyclopedia: a comprehensive resource for healthy
eating. New York: Penguin/Arkana.
109. Yamasaki, K., et al. 1998. Anti-HIV-1 activity of herbs in Labiatae. Biol. pharm. bull. 21(8):829-833.
110. Zohary, Michael. 1982. Plants of the Bible. Cambridge: Cambridge University Press. 

woensdag, mei 07, 2025

Onooglijke planten met een verhaal. Breukkruid.

Planten tussen straatstenen. Eetbare maar niet te eten planten. Vuil, vertrapt onder de onverschillige voeten van voorbijgangers. En toch... planten met een verhaal. 

Mellie Uyldert vertelde het lang geleden op haar eigen manier. 'Wie is het, die de taal der kruiden verstaat? Haastige voetstappen gaan over de weg — het stof waait over de wegberm, over de frisse blaadjes van de weegbree, over de rozetten van de paardebloem, over de dovenetel onder de heg en over de opgeheven kandelaartjes van het hondsdraf. De regen valt en wast de blaadjes weer schoon. Haastig gaan de mensen voorbij, gevangen in hun gedachten, in hun zorgen. Met geld en boodschappentas spoeden ze zich naar de drogist, naar de groentenwinkel — trappen op het uiengras dat hun soep zou willen kruiden en op de kamille, die bereid is hun pijn te verzachten. Terwijl zij met blinde ogen en dove oren door het zorgvolle leven jachten, leeft en werkt de ganse schepping om hen heen, om hen alles te schenken wat zij behoeven'.

Neem nu de de bestofte groene korrelige bolletjes onder mijn voeten op de stoep in het Waals stadje Dinant. Vuiligheid tussen straatstenen maar toch een levend kruipend wezen met zelfs een chique Latijnse naam Herniara glabra en een minder mooie Nederlandse naam kaal breukkruid. En toch heeft ook dit plantje een lange geneeskrachtige geschiedenis met de mensheid en met mij. In de Flora Batava uit 1846 bijvoorbeeld wordt gezegd dat een afkooksel of een aftreksel van dezelve placht tegen belette pislozing, in waterzucht en in geelzucht gebruikt te worden, en uitwendig, in omslagen, bediende men er zich eertijds bij breuken van.

Volgens Weinmann (Weinmann, J.W., Phytanthoza iconographia) werd breukkruid voornamelijk gebruikt bij hernia's (zowel inwendig als uitwendig), als diureticum, bij blaas- en nierstenen, hydrops en geelzucht. Hij concludeert: "Daarom kan men de grote kracht die in zo'n klein kruid verborgen ligt, niet voldoende bewonderen." Volgens Kobert (Kobert, Beiträge zur Wissen der Saponinsubstanzen, 1904) voorkomen de saponinen in breukkruid de samenklontering van urinezand tot steenachtige concreties en bevorderen ze de uitscheiding ervan door de diurese te verhogen. Zeißl (Zeißl, geciteerd in Kroeber, Pharm. Ztrh. 1924, nr. 44, p. 606) schreef Herniaria bijna voor als een specifiek middel tegen blaasontsteking, met name als spasme-verlichter. 

In het standaardwerk Lehrbuch der biologischen heilmittel uit 1938 schrijft Dr. Gerhard Madaus... Herniaria glabra heeft een sterk diuretisch effect en kan bijna beschouwd worden als een specifiek middel tegen chronische blaasontsteking. Het wordt ook gebruikt bij de vorming van urinestenen, nierkoliek, albuminurie, urineretentie, pyelitis, urethritis, gonorroe en hydrops. Gebruik ervan dient echter te worden vermeden bij galstenen en acute nefritis. Het is ook effectief gebleken bij tuberculose, bronchiale catarre en tertiaire syfilis. Uitwendig toegepast wordt het kruid beschouwd als een wondhelend middel en wordt het vaak gebruikt als kompres bij fracturen.

En zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Bewondering en verwondering dus voor een onnozel, vuil plantje onder mijn voeten in een toeristisch Ardeens dorpje, sorry stadje. En dan heb ik het nog niet gehad over mijn persoonlijk leven met dat knarsend plantje. Maar... dat is een ander verhaal.


zaterdag, mei 03, 2025

Huidverzorging zonder poespas: shake-lotions

Een shakelotion is een (h)eerlijk ongecompliceerd verzorgingsproduct. Het bestaat uit een tweefasenmengsel met een waterige en een olieachtige component. Alleen door krachtig te schudden mengen de ingrediënten zich – vandaar de naam. In tegenstelling tot klassieke crèmes bevatten shake lotions geen emulgatoren en zijn daarom beter te verdragen, vooral door een zeer gevoelige, geïrriteerde of oververzorgde huid.

Shake lotions trekken snel in, laten geen vettig laagje achter en voorzien de huid toch van waardevolle, plantaardige, werkzame stoffen. Afhankelijk van de ingrediënten die je gebruikt, kun je specifiek inspelen op de behoeften van uw huid en ook op de seizoenen. Ik denk dat een lichte, maar evenwichtige verzorging cruciaal is, vooral voor de vette huid. Shake lotions doen precies dat: ze verzorgen zonder te veel te conditioneren. Ze zijn bovendien snel klaar, blijven enkele weken goed als je ze goed bewaart en bestaan ​​vaak uit slechts een paar natuurlijke ingrediënten. Voor mij is dit echte huidverzorging, zonder poespas: effectief, huidvriendelijk en echt natuurlijk.

Jojoba-olie gecombineerd met rozemarijn en madeliefjes: de perfecte mix. Voor de verzorging van een vette huid is de combinatie van jojoba-olie, rozemarijn en madeliefje een goede mix. 

Jojoba-olie (Simmondsia chinensis) kan de talgproductie reguleren zonder de poriën te verstoppen. Het trekt snel in en laat geen vettig laagje achter. Jojoba-olie heeft bovendien ontstekingsremmende en huidverzachtende eigenschappen. Daarom raad ik het graag aan bij een onzuivere of geïrriteerde huid. Het versterkt de huidbarrière, beschermt tegen vochtverlies en zorgt voor een matte teint – en dat allemaal zonder de huid te verzwaren!

Rozemarijn (Salvia rosmarinus) bevat voornamelijk tannines, bitterstoffen, flavonoïden en etherische olie. Het wordt door de HMPC en in de volksgeneeskunde aanbevolen voor uitwendig gebruik om de huidcirculatie te ondersteunen, waardoor de huid er fris en gerevitaliseerd uitziet. Volgens ESCOP heeft rozemarijn milde antiseptische en wondhelende eigenschappen. Dit voorkomt en verlicht ontstekingen. Uit ervaring weet ik dat rozemarijn helpt om grote poriën te verkleinen, de talgproductie te reguleren en daardoor oneffenheden van de huid te verminderen. Het brengt de huid in balans, reinigt op milde wijze zonder uit te drogen en ondersteunt op milde wijze de regeneratie van huidcellen.

Madeliefje (Bellis perennis) is een klassiek kruid in de volksgeneeskunde ter ondersteuning van de gezondheid van de huid. De belangrijkste werkzame stoffen zijn tannines, flavonoïden, slijmstoffen, triterpeensaponinen, bitterstoffen en etherische olie. De toepassing varieert van kleine huidbeschadigingen tot eczeem tot acne en huidvlekken. Het heeft samentrekkende, wondhelende en ontstekingsremmende eigenschappen, het is een geweldige combinatie voor een vette huid omdat het ontstoken, etterende poriën kan verkleinen en laten krimpen.

Recept: Schudlotion voor een vette huid

Het maken van een shake-lotion is eenvoudig. Je hebt slechts een paar ingrediënten en wat tijd nodig om je eigen huidverzorging te creëren. Hier is een eenvoudig recept dat je kan proberen:

Ingrediënten

  • een 50 ml sprayflesje (bij voorkeur van glas)
  • 25 ml jojoba-olie (Simmondsia chinensis)
  • 15 ml rozemarijnhydrolaat (Salvia rosmarinus)
  • 10 ml tinctuur van madeliefjes (Bellis perennis)

Instructies

  • Voeg eerst het hydrolaat, dan de tinctuur en als laatste de olie toe aan de fles. Nu alleen nog een etiketje erop en uw gezichtslotion is klaar.

Gebruik is net zo eenvoudig als de productie.

  • Begin met het grondig maar voorzichtig reinigen van uw huid om overtollig talg en vuil te verwijderen. Hiervoor is een gezichtszeep met ezelinnenmelk geschikt, of een Aleppozeep met laurierolie.
  • Schud vervolgens de shakelotion krachtig zodat de ingrediënten goed gemengd worden. Doe 2 of 3 pompjes lotion op uw hand en verdeel het over een vochtige huid totdat het goed is opgenomen.
  • Masseren bevordert de bloedsomloop en zorgt ervoor dat de huid de plantaardige ingrediënten nog beter kan opnemen. De lotion kan zowel 's ochtends als 's avonds gebruikt worden.

Bewaren en houdbaarheid: hoe u uw lotion vers en effectief houdt

  • Je kunt shakelotion makkelijk zelf maken, maar het is wel belangrijk om het goed te bewaren, zodat het zo lang mogelijk vers en effectief blijft. De pompspraydop is ideaal om oxidatie te voorkomen. Daarnaast is het belangrijk dat je ze op een koele, donkere plaats bewaart. De houdbaarheid van een zelfgemaakte shakelotion is ongeveer 6-8 weken, mits deze goed wordt bewaard. Ik raad daarom aan om alleen kleine hoeveelheden te maken, die u binnen die tijd kunt opmaken.

Conclusie

Een vette huid heeft niet veel nodig. Met je zelfgemaakte shakelotion op basis van rozemarijn, madeliefjes en jojoba-olie geef je de vette huid precies dat wat nodig is: verzorging op plantenbasis die de huid zuivert, verzacht en reguleert. Probeer het eens, het is gemakkelijk, leuk en je weet precies wat erin zit.

Andere kruiden ter vervanging. Echte kamille en lavendel.

Referentie

https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-planten-van-a-tot-z/bellis-perennis-madeliefje